ECLI:NL:RBDHA:2025:4878
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting
De minister heeft op 11 december 2024 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die van Libische nationaliteit is. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld via telehoren op 21 maart 2025.
De rechtbank heeft eerder het voortduren van deze maatregel getoetst en achtte deze tot 7 februari 2025 rechtmatig. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting omdat de laissez-passer-aanvraag bij de Libische ambassade sinds 15 oktober 2024 niet is verstrekt. Daarnaast stelt hij dat een lichter middel dan bewaring passend is, mede vanwege zijn eerdere strafrechtelijke detentie.
De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Algerije, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Er is geen bewijs dat Algerijnse autoriteiten de laissez-passer weigeren, en het ontbreken van een reactie binnen vijf maanden is niet onredelijk gezien de omstandigheden. Eiser werkt onvoldoende mee aan zijn uitzetting en vertoont een weigerachtige houding. De minister handelt voldoende voortvarend door rappelleren op de aanvragen en het voeren van vertrekgesprekken. De rechtbank ziet geen reden om een lichter middel toe te passen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.