Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd en stelde beroep in tegen de proceskostenvergoeding die de officier van justitie had vastgesteld op basis van artikel 13a, tweede lid, Wahv. De officier van justitie kende een vergoeding van €117 toe, maar betrokkene betwistte dit en verwees naar het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024, waarin dit artikellid buiten toepassing werd verklaard wegens mogelijke strijd met discriminatieverboden.
De kantonrechter overweegt dat Wahv-zaken en andere bestuursrechtelijke zaken met betrekking tot proceskostenvergoeding als gelijke gevallen moeten worden beschouwd, tenzij er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor een verschillend behandeling. Uit de stukken blijkt onvoldoende onderbouwing voor een dergelijke rechtvaardiging, mede gelet op rapporten en signalen over oneigenlijk gebruik van procedures door no-cure-no-pay bedrijven.
De kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel van het Hof en verklaart artikel 13a, tweede lid, Wahv buiten toepassing. De eerdere proceskostenvergoeding wordt vernietigd en een nieuwe vergoeding van €821,75 wordt toegekend, waarbij het eerder toegekende bedrag in mindering wordt gebracht. Hiermee wordt het beroep gegrond verklaard.