ECLI:NL:RBDHA:2025:4958
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister heeft op 15 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft de maatregel reeds eerder getoetst en oordeelde toen dat deze rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 4 februari 2025.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting en dat er geen concreet zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat hij stelde niet afkomstig te zijn uit Algerije of Marokko maar uit Libië. De minister had echter op 10 februari 2025 een aanvullend terugkeerbesluit genomen waarin Algerije en Marokko als landen van terugkeer werden toegevoegd, wat in rechte vaststaat.
De rechtbank oordeelt dat dit aanvullend terugkeerbesluit een concreet aanknopingspunt vormt en dat de minister met het aanvragen van laissez-passer documenten bij de autoriteiten van Algerije en Marokko voldoende voortvarend handelt. De voortgangsrapportage toont aan dat er actief contact is met de betrokken landen en dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel van bewaring als onrechtmatig te beschouwen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.