ECLI:NL:RVS:2016:1618
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting naar Azerbeidzjan
De vreemdeling is op 11 januari 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld nadat eerdere aanvragen om een verblijfsvergunning asiel waren afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid van zijn identiteit en afkomst. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat het zicht op uitzetting naar Azerbeidzjan ontbreekt vanwege zijn etnisch Armeense afkomst en de specifieke kenmerken van zijn achternaam.
De staatssecretaris voerde aan dat ondanks de Armeense achternaam de identiteit niet aannemelijk is gemaakt en dat diverse laissez-passeraanvragen en terug- en overnameverzoeken bij Azerbeidzjaanse autoriteiten zijn ingediend, waarvan een substantieel deel is ingewilligd. Uit onderzoek bleek dat vreemdelingen met Armeense achternamen doorgaans niet werden toegelaten, maar dat dit niet betekent dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
De Afdeling oordeelde dat de maatregel van bewaring een nieuwe maatregel is en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vreemdeling zijn identiteit en afkomst niet heeft aangetoond. De staatssecretaris heeft voldoende voortvarendheid betracht door uitzettingsverzoeken in te dienen en een uitzettingstraject naar Armenië te starten. De situatie is niet wezenlijk gewijzigd ten opzichte van eerdere jurisprudentie. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd omdat het zicht op uitzetting naar Azerbeidzjan binnen redelijke termijn niet ontbreekt.