Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 10 september 2023 en moest binnen zes maanden beslissen, met een verlenging van negen maanden onder WBV 2023/34. Eiser stelde de minister op 13 december 2024 in gebreke, maar diende het beroep meer dan twee weken na deze ingebrekestelling in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank volgt het 8+8 wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit moet nemen.
Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaalt dat geen bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd bij niet tijdig beslissen op asielaanvragen, heeft de ABRvS geoordeeld dat dit onverbindend is. Daarom legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, indien de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50 vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier D.A.M. Delger en is op 25 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.