ECLI:NL:RBDHA:2025:546
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor eiseres en hun kinderen. De aanvraag werd ingediend op 27 februari 2024, terwijl verweerder uiterlijk op 27 augustus 2024 had moeten beslissen. Deze termijn is verstreken zonder besluit, waarna eisers verweerder rechtsgeldig in gebreke stelden en vervolgens beroep instelden.
Verweerder voerde aan dat het fifo-principe wordt gehanteerd en dat de aanvraag naar verwachting pas in september 2025 in behandeling wordt genomen. De rechtbank oordeelt dat dit geen reden is om de behandeling van het beroep aan te houden en wijst het verzoek daartoe af. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van acht weken na verzending van deze uitspraak vast, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek wordt aangekondigd.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het niet tijdig beslissen binnen deze termijn. Tevens veroordeelt zij verweerder tot betaling van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen van €1.442 en de proceskosten van €453,50. Het verzoek om griffierechtvrijstelling wordt definitief toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn en dwangsom op en veroordeelt verweerder tot betaling van bestuurlijke dwangsommen en proceskosten.