Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:5700

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
NL25.14888
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 96, derde lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht afgewezen

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is sinds 12 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten op 7 april 2025.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 19 februari 2025, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, mede gelet op eerdere jurisprudentie en het ontbreken van aannemelijke feiten dat Algerije zou weigeren een laissez-passer te verstrekken.

Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende inspanningen heeft verricht, waaronder het indienen van de laissez-passer aanvraag en meerdere rappels, alsmede het voeren van vertrekgesprekken met eiser. Ook zag de rechtbank geen andere gronden om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14888

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 12 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 april 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 21 februari 2025 [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 19 februari 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser zit namelijk al sinds 12 februari 2025 in bewaring en is nog niet uitgezet naar Algerije. Op de aanvraag voor een laissez-passer (lp) voor eiser is nog niet gereageerd door de Algerijnse autoriteiten. Sinds 2021 zijn er meerdere lp-trajecten opgestart voor eiser maar dat heeft niet geleid tot zijn uitzetting. Verweerder heeft verder slechts twee keer gerappelleerd sinds de lp-aanvraag voor eiser is ingediend en één keer een vertrekgesprek gehouden. Van verweerder mag verwacht worden dat hij meer inspanningen verricht om eisers vertrek te realiseren.
5. In het algemeen ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn niet. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 [2] en 15 juli 2024. [3] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn in zijn geval wel ontbreekt. Het enkele gegeven dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben geregeerd op de rappels van verweerder is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Algerijnse autoriteiten zullen weigeren aan eiser een lp te verstrekken. Dat in het verleden geen lp is verstrek aan eiser maakt evenmin dat aan eiser in dit traject geen lp zal worden verstrekt. De rechtbank betrekt verder dat eiser zelf tot op heden geen aantoonbare inspanningen verricht om zijn vertrek naar Algerije te bespoedigen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verder werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Op 19 februari 2025 is de lp-aanvraag voor eiser ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. Verweerder heeft vervolgens op 27 februari en 20 maart 2025 gerappelleerd. Daarnaast zijn op 17 februari en 24 maart 2025 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is op 7 april 2025 gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.