Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn asielaanvraag van 19 september 2022. De minister had zes maanden om te beslissen, maar verlengde deze termijn met negen maanden, waarna eiser alsnog beroep instelde omdat de minister niet binnen twee weken na afloop van de termijn had beslist.
Op 17 april 2024 heeft de minister alsnog een besluit genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk is omdat inmiddels een besluit is genomen. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond omdat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen dit besluit.
De rechtbank legt geen dwangsom op omdat de minister inmiddels aan het verzoek heeft voldaan. Wel veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.