Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden heeft beslist op zijn asielaanvraag van 29 oktober 2023. De minister had de beslistermijn met negen maanden verlengd, maar deze termijn is inmiddels verstreken zonder besluit. Eiser verzocht de minister om alsnog binnen twee weken te beslissen, wat niet gebeurde, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister wordt opgedragen alsnog binnen een termijn van zestien weken, gebaseerd op het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een besluit te nemen. Ter handhaving van deze termijn legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.