Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 4 september 2023. De minister had de beslistermijn wettelijk verlengd van zes naar vijftien maanden, waardoor de termijn eindigde op 4 december 2024. De ingebrekestelling van 7 maart 2024 was daarom te vroeg en het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard.
Op 21 maart 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag. Hierdoor was er geen aanleiding voor de rechtbank om de minister te verplichten alsnog een besluit te nemen, wat het beroep tegen het niet tijdig beslissen ook om die reden niet-ontvankelijk maakte.
Het beroep had ook betrekking op het alsnog genomen besluit. Eiser heeft echter geen gronden aangevoerd tegen dit besluit, waardoor dit deel van het beroep ongegrond werd verklaard. De rechtbank legde geen bestuurlijke of rechterlijke dwangsom op en veroordeelde de minister niet tot vergoeding van proceskosten.
De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier B.A. Smit, zonder zitting, na overleg met partijen. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.