Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Overige beroepsgronden
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie met zijn zus en moeder. De minister wees dit verzoek af en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiser stelde dat zijn zus psychische problemen heeft en van hem afhankelijk is, en voerde daarnaast een ondersteunende rol in het gezin van zijn nichtje aan.
De rechtbank beoordeelde het beroep ex-tunc en concludeerde dat de situatie van de nichtje niet in de beoordeling meegenomen kan worden omdat dit niet bij de aanvraag of het bezwaar was vermeld. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht kon stellen dat er geen zodanige afhankelijkheid bestaat tussen eiser en zijn zus of moeder dat zij niet van elkaar gescheiden kunnen worden zonder dat de Unieburger het EU-grondgebied moet verlaten.
Verder werd geoordeeld dat de minister terecht afzag van het horen van eiser in bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Eiser had onvoldoende medische onderbouwing geleverd voor zijn psychische problemen en de gestelde afhankelijkheid. Ook andere beroepsgronden, waaronder schending van het Verdrag van Wenen en onrechtmatige signalering in het SIS, werden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter V.A.G. van Dijk en griffier M.C. Drenten-Boon op 15 april 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.