ECLI:NL:RBDHA:2025:6347

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
15 april 2025
Zaaknummer
NL25.7997 en NL23.21754
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:57 AwbArt. 52 Vreemdelingenwet 2000Art. 4.23 Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking besluit teruggave documenten

Verzoekster heeft in 2020 asiel aangevraagd in Nederland, maar verblijft sinds april 2021 in Frankrijk. Zij verzocht om teruggave van haar originele documenten, waaronder haar paspoort, maar de minister weigerde dit op grond van het ontbreken van bewijs van rechtmatig verblijf in Frankrijk.

In beroep heeft verzoekster alsnog bewijs geleverd van haar verblijfsrecht in Frankrijk, waarna de minister het besluit introk en toezegde de documenten terug te geven. De rechtbank oordeelt dat deze intrekking geen erkenning van onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit inhoudt, omdat het bewijs pas in beroep is overgelegd.

Daarom is geen sprake van tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8:75a Awb en bestaat er geen grond voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkoming door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.7997 en NL23.21754

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.S. Visser),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes-de Jonge).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan onder gelijktijdige intrekking van haar beroep en haar verzoek om een voorlopige voorziening, nadat de minister het bestreden besluit van 1 maart 2024 heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. De minister heeft zich tegen de toekenning verzet.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een veroordeling in de proceskosten, omdat partijen hiermee hebben ingestemd. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen?
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit de Awb. [2]
3.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [3] is alleen sprake van tegemoetkomen, als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, als het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, of vanwege later verkregen informatie, is geen tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb en vormt daarom geen grond voor een proceskostenveroordeling. [4]
3.2.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in 2020 in Nederland asiel heeft aangevraagd, maar dat zij sinds april 2021 in Frankrijk verblijft. Op 21 november 2022 heeft verzoekster in verband met haar asielaanvraag in Frankrijk de minister verzocht om teruggave van haar originele documenten, waaronder haar paspoort. Bij het bestreden besluit van 1 maart 2024 heeft de minister dit geweigerd. Hieraan lag ten grondslag dat de minister originele documenten in bewaring houdt om een eventuele uitzetting mogelijk te maken en alleen teruggeeft aan de autoriteiten van het land waar toelating van betrokkene is gewaarborgd. [5] De minister stelde zich op het standpunt dat niet gebleken was dat verzoekster een verblijfsrecht heeft in Frankrijk, omdat zij dit niet had onderbouwd.
3.3.
In beroep heeft verzoekster haar verblijfsrecht in Frankrijk alsnog onderbouwd. Eerst bij brieven van 3 en 17 maart 2025 heeft zij een brief van de Franse autoriteiten overgelegd en een kopie van haar Franse verblijfsvergunning, afgegeven op 15 juni 2023. In reactie hierop heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken en toegezegd dat de originele documenten aan verzoekster worden teruggegeven.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van het bestreden besluit en het teruggeven van de originele documenten geen onrechtmatigheid van het bestreden besluit impliceren. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster eerst in beroep stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk, waardoor de minister het besluit niet langer kon handhaven. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat geen sprake is van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Er bestaat daarom geen grond om de minister in de proceskosten van verzoekster te veroordelen. De rechtbank wijst het verzoek af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 april 2025 door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen
binnen 4 wekenna de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.De Algemene wet bestuursrecht, zie artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie de uitspraken van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487.
5.Op grond van artikel 52, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 4.23, eerste lid, onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000.