ECLI:NL:RBDHA:2025:6369
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid
Eiseres, een Iraakse vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij haar meerderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon.
Eiseres voerde beroep aan met het argument dat er wel degelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, waaronder financiële en emotionele afhankelijkheid, en dat zij vanwege haar medische situatie (alzheimer) zorgafhankelijk is. Tevens stelde zij dat verweerder onvoldoende had getoetst aan artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat vergelijkbare aanvragen wel waren ingewilligd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een brede en individuele beoordeling had gemaakt van de omstandigheden en dat de tegenstrijdige verklaringen over samenwoning en het ontbreken van bewijs voor zorgafhankelijkheid rechtvaardigen dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en eerdere jurisprudentie faalde wegens gebrek aan onderbouwing. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.