Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer],
Procesverloop
Overwegingen
Eerste grief
2. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de maatregel van bewaring niet is voorzien van een digitale handtekening en dat deze daarom niet rechtsgeldig is ondertekend. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4237, heeft de Afdeling de minister verzocht haar de originele maatregel van bewaring toe te sturen. De Afdeling stelt vast dat de maatregel van bewaring een elektronische handtekening bevat en dat zij deze zelfstandig heeft kunnen valideren. Dat betekent dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend. De eerste grief slaagt.
3. De rechtbank heeft verder ook ten onrechte geoordeeld dat de omstandigheid dat de vreemdeling tijdens de zitting niet is gehoord met behulp van een registertolk leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. De minister voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1968, terecht aan dat de rechtbank ervoor had kunnen kiezen om op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb, het onderzoek ter zitting te schorsen en dit met een tolk voort te zetten op een andere dag. De rechtbank heeft op 22 mei 2024, de veertiende dag na ontvangst van de kennisgeving, in aanwezigheid van betrokkene, de gemachtigde van betrokkene en de minister, tijdig een aanvang gemaakt met het door artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 voorgeschreven onderzoek ter zitting. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat betrokkene niet binnen een redelijke termijn alsnog in persoon kon worden gehoord in een voor hem begrijpelijke taal, heeft de rechtbank in het licht van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb en vermelde rechtspraak van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom zij geen aanleiding heeft gezien het onderzoek ter zitting te schorsen.
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
onvoldoende heeft gemotiveerdwaarom de rechtbank het onderzoek niet heeft geschorst en heeft voortgezet op een andere dag om zodoende eiser alsnog binnen een redelijke termijn te horen. De aanleiding om dit niet te doen is eenvoudig. De rechtbank heeft ter zitting niet kunnen vaststellen dat de maatregel rechtsgeldig was ondertekend en heeft reeds daarom de maatregel van aanvang af onrechtmatig geacht. Het recht om in persoon te worden gehoord over een vrijheidsontnemende maatregel is een fundamenteel recht. De rechtbank acht evenwel het recht om in vrijheid te worden gesteld als de vrijheidsontneming naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig is nog belangrijker. De rechtbank heeft aangenomen dat eiser meer waarde hechtte aan zijn invrijheidstelling dan aan het recht om op een later moment met tussenkomst van een registertolk te worden gehoord en dan te vernemen waarom hij in vrijheid wordt gesteld. Op het moment dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de maatregel om een andere reden dan het ter zitting niet hebben kunnen horen met tussenkomst van een registertolk onrechtmatig is, zal de rechtbank de maatregel opheffen en geen gebruik maken van haar bevoegdheid om het onderzoek ter zitting te schorsen. Op de dag van de uitspraak was er dus geen aanleiding voor de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid om het onderzoek te heropenen, vervolgens te schorsen en de voortzetting van de behandeling ter zitting te agenderen en eiser daarna pas in vrijheid te stellen. De rechtbank gaat hiertoe ook over als niet aanstonds ter zitting mondeling uitspraak wordt gedaan maar twee dagen later de rechtbank uitspraak doet en in die uitspraak vaststelt dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig is geweest. Uit de uitspraak van 24 mei 2024 blijkt waarom het niet mogelijk is geweest om op 22 mei 2024 op een later tijdstip eiser alsnog te horen met tussenkomst van een registertolk. De rechtbank licht in dit verband nader toe dat ook met het tot stand brengen van een telefoonverbinding met een registertolk de nodige tijd is gemoeid. Die tijd ontbrak gelet op het tijdstip van de geagendeerde zitting, de overige beroepen die ook die zitting moesten worden behandeld, de omstandigheid dat het gerechtsgebouw om 19:00 uur sluit en de zitting overigens vanwege de 17 behandelde beroepen tot kort voor sluitingstijd van het gerechtsgebouw heeft geduurd. De rechtbank heeft niet eerder dan op 24 mei 2024 uitspraak kunnen doen omdat meerdere beroepen die op 22 mei 2024 zijn behandeld gegrond zijn verklaard en ook in die procedures de betreffende vreemdeling zo spoedig mogelijk in vrijheid moesten worden gesteld. Verweerder heeft ter zitting op 23 april 2025 gewezen op eerdere zittingen bij deze rechtbank en het al dan niet horen met telefonische tussenkomst van een registertolk. Die zaken zijn echter niet vergelijkbaar met de onderhavige procedure omdat de rechtbank reeds had geconstateerd dat ter zitting niet kon worden vastgesteld dat de maatregel rechtsgeldig was ondertekend. Zoals ook besproken ter zitting naar aanleiding van vragen van verweerder behandelt de rechtbank alle door het CIV toegewezen zaken, krijgen alle zittingsplaatsen evenveel bewaringszaken toebedeeld en varieert het aantal zaken per week sterk. Gelet op de wettelijke termijnen heeft de rechtbank weinig ruimte om keuzes te maken in het bepalen van zittingsdagen en de rechtbank is voor het plannen van de zittingsdagen en de tijdstippen afhankelijk van de bereidheid van de DVO om de vreemdelingen naar Limburg te vervoeren. Het is dus, als antwoord op de impliciete vraag van verweerder op 23 april 2024, niet de keuze van de voorzitter geweest om 17 zaken te behandelen terwijl de bewaringszitting niet eerder kan aanvangen dan 11:00 uur vanwege het vervoer en de zitting niet langer kan duren dan 19:00 uur vanwege de beveiliging in het gerechtsgebouw. De rechtbank heeft dus om juridisch inhoudelijke redenen het onderzoek niet geschorst en merkt hierbij op dat het op een later tijdstip horen op de zittingsdag praktisch niet mogelijk was. De rechtbank overweegt overigens dat artikel 8:64, eerste lid, van de Awb zich moeilijk laat verenigen met het karakter van vrijheidsontneming en de in artikel 94, vierde lid, Vw dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn om het onderzoek ter zitting te bepalen. Het komt de rechtbank voor dat deze termijn betrekking heeft op het daadwerkelijk horen van de in bewaring gestelde vreemdeling en niet aan het moment dat het onderzoek ter zitting wordt aangevangen. Aan dit dwingendrechtelijke karakter van de relatief korte termijn zou, naar het oordeel van de rechtbank, namelijk nog maar weinig gewicht toekomen als deze termijn wordt “gered” door het onderzoek ter zitting weliswaar tijdig te openen maar geen aanvang wordt gemaakt met het horen van de vreemdeling met tussenkomst van een registertolk. De rechtbank betrekt hierbij dat de rechtbank verplicht is om een registertolk op te roepen zodat eiser ter zitting in persoon kan worden gehoord en dat indien de rechtbank niet aan haar verplichtingen voldoet, naar het oordeel van de rechtbank, dit niet altijd zonder meer zonder gevolgen hoeft te blijven. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting op 23 april 2025 opgemerkt dat verweerder ter zitting van 22 mei 2024 niet aan de rechtbank heeft verzocht om het onderzoek te schorsen maar enkel belangen heeft gesteld om niet tot opheffing van de maatregel over te gaan. De rechtbank overweegt dat dit op zich juist is. Het is echter aan de rechtbank om te beoordelen of zij gebruik wil maken van haar bevoegdheid om het onderzoek te schorsen en om al de hiervoor genoemde redenen heeft de rechtbank dat niet gedaan. Indien daarom zou zijn verzocht door verweerder, is de kans dat de rechtbank dit, in weerwil van de hiervoor genoemde redenen, zal doen, niet heel groot. Dat verweerder niet heeft verzocht om schorsing van het onderzoek is dus geen factor van betekenis voor de rechtbank geweest om haar bevoegdheden niet te gebruiken.
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van een bedrag van € 300, -, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.