Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
nietis gehoord met behulp van een tolk. Weliswaar zijn er “kruisjes gezet”, echter in de zogenoemde vrije ruimte in het proces-verbaal is weergegeven dat de verbalisant eiser zonder bijstand van een professionele tolk heeft gehoord.
1 De volgende diensten en instanties maken in het kader van het strafrecht en het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers:
2 Onze Minister kan bij ministeriële regeling instanties en organen aanwijzen die in het kader van het strafrecht en het vreemdelingenrecht ook gehouden zijn gebruik te maken van beëdigde tolken en vertalers.
3 In afwijking van het eerste en tweede lid kan gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.
4 Indien van het eerste of tweede lid wordt afgeweken wordt dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd. Ingeval geen sprake is van spoedeisende inzet van een tolk of vertaler, dient deze voorafgaand aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring over te leggen. Indien het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is voorafgaand aan de inzet een verklaring omtrent het gedrag over te leggen geschiedt dit na de inzet. De artikelen 29 en 32 zijn van overeenkomstige toepassing op een tolk of vertaler als bedoeld in het derde lid.
Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 26 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4064, onder 9.1, over de verplichting voor de Koninklijke Marechaussee tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers). Zoals de Afdeling in die uitspraak heeft overwogen, volgt uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers dat deze bepaling, behoudens toepassing van het derde lid, onder meer de Koninklijke Marechaussee verplicht tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht. Dit geldt ook voor de politie. Het proces-verbaal van gehoor van 1 september 2022 vermeldt dat de vreemdeling en de verbalisant beiden het Engels voldoende machtig waren. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat er niet noodzakelijkerwijs gebruik hoeft te worden gemaakt van een tolk bij het gehoor en dat het mogelijk is dat de verbalisant en de vreemdeling in een taal communiceren die zij allebei in voldoende mate beheersen.
Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
nietaf dat volgt dat deze bepaling, behoudens toepassing van het derde lid, onder meer de KMar enkel verplicht tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers,
indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht.
welke tolkdient te worden ingeschakeld. In de Memorie van Toelichting is niet uitdrukkelijk bepaald
wanneereen tolk dient te worden ingeschakeld. Dit is echter ook niet vreemd. Naar het oordeel van de rechtbank is het evident dat de autoriteiten “een” tolk dienen in te schakelen als de betrokkene de Nederlandse taal en dus de procestaal niet machtig is. Waar betoogd kan worden dat de aard en duur en gevolgen van het contact met zich kan brengen dat communicatie kan plaatsvinden in een taal die zowel de vreemdeling als de betreffende ambtenaar van de autoriteiten beheersen, heeft in ieder geval te gelden dat indien een gehoor plaatsvindt dat dient om te beoordelen of de vrijheid van een vreemdeling wordt ontnomen dan wel beperkt, dit gehoor, ter bescherming van die vreemdeling, dient plaats te vinden in de taal die de vreemdeling volledig beheerst op het niveau van een zogenoemde “native speaker”.
dáteen tolk wordt ingeschakeld als de vreemdeling de procestaal niet beheerst.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.000,-, te betalen door de griffier.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.