ECLI:NL:RBDHA:2025:7089
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring na opheffing afgewezen
Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, werd op 24 oktober 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze maatregel werd op 3 april 2025 door verweerder opgeheven. Eiser stelde op 17 april 2025 beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Uit eerdere uitspraken bleek dat de bewaring tot 27 maart 2025 rechtmatig was, zodat alleen de periode daarna relevant was. Eiser voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat een belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht was op uitzetting naar Marokko en dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek. Ook was de belangenafweging terecht in het voordeel van eiser uitgevallen bij de opheffing van de bewaring op 3 april 2025. Er waren geen feiten die een eerdere opheffing rechtvaardigden.
Daarom was het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig en werd het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.