ECLI:NL:RBDHA:2025:7186
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige maatregel van bewaring wegens onduidelijke wettelijke grondslag
De minister legde aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting gaf de minister aan dat het aankruisen van de c-grond een kennelijke verschrijving was en dat de maatregel eigenlijk gebaseerd was op de a- en b-grond.
De rechtbank stelde ambtshalve vast dat de maatregel onduidelijk was omdat niet duidelijk was welke wettelijke grondslag van artikel 59b Vw 2000 van toepassing was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde eerder dat de grondslag duidelijk moet zijn aangekruist, omdat anders de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming in het geding komt.
De rechtbank volgde het standpunt van de minister niet en oordeelde dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig was vanwege de onduidelijke grondslag. Het beroep werd gegrond verklaard, de maatregel werd per 25 april 2025 opgeheven en aan eiser werd een schadevergoeding van € 2.600 toegekend voor de 26 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden proceskosten van € 1.814 aan eiser toegekend.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onduidelijke wettelijke grondslag en eiser ontvangt een schadevergoeding van € 2.600.