ECLI:NL:RBDHA:2025:7186

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
29 april 2025
Zaaknummer
NL25.16785
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige maatregel van bewaring wegens onduidelijke wettelijke grondslag

De minister legde aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting gaf de minister aan dat het aankruisen van de c-grond een kennelijke verschrijving was en dat de maatregel eigenlijk gebaseerd was op de a- en b-grond.

De rechtbank stelde ambtshalve vast dat de maatregel onduidelijk was omdat niet duidelijk was welke wettelijke grondslag van artikel 59b Vw 2000 van toepassing was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde eerder dat de grondslag duidelijk moet zijn aangekruist, omdat anders de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming in het geding komt.

De rechtbank volgde het standpunt van de minister niet en oordeelde dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig was vanwege de onduidelijke grondslag. Het beroep werd gegrond verklaard, de maatregel werd per 25 april 2025 opgeheven en aan eiser werd een schadevergoeding van € 2.600 toegekend voor de 26 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden proceskosten van € 1.814 aan eiser toegekend.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onduidelijke wettelijke grondslag en eiser ontvangt een schadevergoeding van € 2.600.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16785

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Wudka),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is de grondslag van de maatregel van bewaring voldoende duidelijk?
1. De rechtbank stelt ambtshalve toetsend vast dat de grondslag van bewaring onduidelijk is aangegeven in de maatregel. In de maatregel van bewaring, het model 109b, wordt gewerkt met het aankruisen van wettelijke grondslagen. In de maatregel van bewaring wordt als grondslag artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 aangekruist. Daarnaast worden in het begin van de maatregel onder artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000 twee motiveringen aangekruist, namelijk dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat eiser de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De vakjes van de a- en b-grond van artikel 59b, eerste lid van de Vw 2000 worden zelf niet aangekruist. De minister heeft op de zitting aangegeven dat het aankruisen van de c-grond van artikel 59b, eerste lid van de Vw 2000 een kennelijke verschrijving is en dat dit de a- en b-grond had moeten zijn. De minister stelt zich op het standpunt dat in de overige motiveringen van de maatregel van bewaring voldoende duidelijk te lezen is dat de grondslag artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000 is, mede gezien de motiveringen die hieronder wél zijn aangekruist. Daarnaast stelt de minister dat in de maatregel, behoudens het aankruisen ervan, verder geen motivering wordt gegeven waardoor blijkt dat de c-grond van artikel 59b, eerste lid van de Vw 2000 van toepassing zou moeten zijn. Ook daaruit valt af te leiden dat de grondslag voor de maatregel in de a- en b- grond gelegen is.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is op welke grondslag de maatregel van bewaring is gebaseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 13 mei 2019 overwogen dat uit de maatregel van bewaring duidelijk moet blijken welke wettelijke grondslag op eiser van toepassing is. [1] Bij een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 moet de toepasselijke wettelijke grondslag zijn aangekruist in het besluit. Hierbij moet uitdrukkelijk worden vermeld welke van de vier te onderscheiden wettelijke grondslagen van toepassing is of zijn (de a, b, c of d- grond). Het niet of verkeerd aankruisen heeft onmiddellijk gevolgen voor de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming. Immers hierdoor is het voor eiser niet duidelijk onder welk artikel hij is gedetineerd. Een maatregel waarbij dit niet duidelijk is, kan op één lijn gelijk worden gesteld met een maatregel die op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Dit maakt de bewaring onrechtmatig. Het inlezen van een niet aangekruiste wettelijke grondslag in de overige motivering van de maatregel van bewaring is niet mogelijk. [2] De rechtbank volgt het standpunt van de minister, dat in de overige motiveringen duidelijk te lezen is dat de maatregel van bewaring is gebaseerd op de a- en b-grond van artikel 59b, eerste lid van de Vw 2000, dan ook niet. De maatregel is om deze reden van meet af aan onrechtmatig.

Conclusie en gevolgen

2. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding de overige beroepsgronden van eiser te bespreken. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 25 april 2025.
2.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank kent een schadevergoeding toe voor 26 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel 26 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.600,-.
2.2.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 25 april 2025;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 13 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1528, r.o. 17.2.
2.ABRvS 18 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3593.