ECLI:NL:RVS:2023:3593
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens ontbrekende wettelijke grondslag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 27 juni 2023 in bewaring. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 augustus 2023 het beroep gegrond verklaarde en de bewaring ophefte. Tevens werd de vreemdeling een schadevergoeding toegekend.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat in het besluit tot bewaring niet duidelijk was dat de maatregel was gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris had alleen de grondslagen onder b en c aangekruist en geen motivering gegeven voor de d-grond. Dit is volgens vaste jurisprudentie onrechtmatig.
De Afdeling vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te vernietigen, mede omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.