Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig een besluit heeft genomen op zijn asielaanvraag van 6 juni 2023. De wettelijke beslistermijn van zes maanden is door de minister met negen maanden overschreden, waardoor de totale termijn ruim 21 maanden bedroeg. Eiser verzocht de minister na het verstrijken van deze termijn alsnog binnen twee weken te beslissen, maar dit verzoek bleef onbeantwoord.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij verwijst naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin het ‘8+8 wekenmodel’ wordt gehanteerd voor het bepalen van een nieuwe redelijke beslistermijn. Gezien de overschrijding van de bovengrens van 21 maanden acht de rechtbank een kortere termijn passend en legt zij een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog moet beslissen.
Daarnaast legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.