Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden, verlengd tot vijftien maanden, heeft beslist op zijn asielaanvraag van 31 maart 2022. De minister heeft deze beslistermijn met negen maanden overschreden, ondanks dat eiser op 6 januari 2023 in de nationale procedure werd opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken heeft beslist. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. De rechtbank verwijst naar het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bepaalt dat bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden een kortere beslistermijn passend is.
De rechtbank legt daarom een termijn van vier weken op waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen, te rekenen vanaf de dag na de bekendmaking van deze uitspraak. Indien de minister niet binnen deze termijn beslist, moet zij een dwangsom van € 100 per dag betalen, met een maximum van € 7.500. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser ter hoogte van € 453,50.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser krijgt hiermee gelijk en de minister wordt verplicht om binnen de gestelde termijn te handelen.