ECLI:NL:RBDHA:2025:7421
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht aan Frankrijk in Dublinprocedure
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening en een voorlopige voorziening gevraagd om deze overdracht te verbieden totdat het bezwaar is behandeld.
De voorzieningenrechter beoordeelde ook het beroep tegen het verlengingsbesluit van de overdrachtstermijn, maar concludeerde dat dit beroep te laat was ingediend en niet verschoonbaar was. De bezwaargronden tegen de feitelijke overdracht, waaronder psychische klachten en medische omstandigheden, werden als niet nieuw of onvoldoende onderbouwd beoordeeld.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin reeds was geoordeeld dat de gezondheidstoestand van verzoeker geen reden gaf om de overdracht te verbieden. Ook de nieuwe medische verklaring bood geen nieuwe inzichten die tot een ander oordeel konden leiden.
Verder werd overwogen dat de aanvraag om uitstel van vertrek op medische gronden geen rechtmatig verblijf oplevert en geen reden vormt om de overdracht te verbieden.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening geen redelijke kans van slagen had en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht aan Frankrijk is afgewezen.