Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijk gestelde termijn heeft beslist op zijn asielaanvraag van 28 juni 2023. De minister had de beslistermijn met negen maanden verlengd, maar deze termijn is inmiddels verstreken. Na een verzoek van eiser om binnen twee weken te beslissen, bleef een besluit uit, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij verwijst naar het ‘8+8 wekenmodel’ van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en stelt dat bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden een kortere beslistermijn passend is. In dit geval is na een nader gehoor op 29 januari 2025 een termijn van vier weken passend.
De rechtbank draagt de minister op binnen vier weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 7.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.