Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:7529

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
NL23.35862
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3:40 AwbArt. 8:1 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd voor beroep tegen aanvullend terugkeerbesluit

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een aanvullend terugkeerbesluit van 24 oktober 2023, waarin expliciet Marokko als land van terugkeer werd vermeld. De rechtbank onderzocht of dit aanvullend terugkeerbesluit een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is. Uit eerdere besluiten, met name de meeromvattende beschikking van 21 maart 2014, blijkt dat een terugkeerbesluit tegen eiser is genomen, waarin de terugkeer naar Marokko duidelijk is gemotiveerd.

De rechtbank stelt vast dat het aanvullend terugkeerbesluit geen nieuwe rechtsgevolgen creëert, maar slechts een aanvulling is op het eerdere besluit uit 2014. Hierdoor kwalificeert het niet als een zelfstandig besluit waartegen beroep mogelijk is. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit te behandelen.

De rechtbank gaat niet in op de inhoudelijke beroepsgronden van eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35862

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Procesverloop

Op 24 oktober 2023 heeft verweerder ten aanzien van eiser een aanvullend terugkeerbesluit genomen.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het aanvullend terugkeerbesluit van 24 oktober 2023 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.1.
In de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder verwijzing naar het arrest FMS van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367, overwogen dat in een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet worden vermeld. Het is in dit kader niet zonder meer vereist dat in het terugkeerbesluit een uitdrukkelijke opdracht aan de vreemdeling wordt opgenomen om naar een derde land te vertrekken. Voldoende is dat uit de motivering van het terugkeerbesluit voor de vreemdeling duidelijk wordt naar welk derde land hij dient terug te keren of, als hij niet aan zijn vertrekplicht voldoet, door verweerder zal worden uitgezet (zie r.o. 7 en 10.1). Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat verweerder het ten onrechte niet noemen van het land van terugkeer in een eerder terugkeerbesluit kan herstellen door alsnog een terugkeerbesluit te nemen waarin hij wel vermeldt naar welk land de vreemdeling moet terugkeren (r.o. 9.1). Dat herstellen kan verweerder ook doen door een aanvullend terugkeerbesluit te nemen (zie de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3564).
1.2.
Met het aanvullend terugkeerbesluit van 24 oktober 2023 heeft verweerder in aanvulling op het terugkeerbesluit van 24 maart 2014 – bedoeld zal zijn: het terugkeerbesluit van 21 maart 2014 (zie hierna) – uitdrukkelijk vermeld dat wordt uitgegaan van Marokko als land van terugkeer.
1.3.
In het dossier bevindt zich een besluit van 4 oktober 2013, waarbij verweerder aan eiser (alias) een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn (en een inreisverbod van twee jaar) heeft opgelegd. Uit dit terugkeerbesluit blijkt niet naar welk land eiser dient terug te keren. Verder bevindt zich in het dossier een meeromvattende beschikking van 21 maart 2014, waarbij verweerder eisers asielaanvraag heeft afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn (en een inreisverbod van vijf jaar) heeft opgelegd.
1.4.
Eiser stelt dat beide onder 1.3. genoemde besluiten niet rechtsgeldig zijn, omdat die niet (op de juiste wijze) aan hem bekend zijn gemaakt. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het besluit van 21 maart 2014 is, anders dan eiser stelt, op de juiste wijze bekend gemaakt. Op grond van paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) – zoals geldend op 21 maart 2014 – diende verweerder het besluit te zenden aan de gemachtigde van eiser. Dat heeft verweerder gedaan. Uit het dossier volgt namelijk dat het besluit van 21 maart 2014 diezelfde dag aan de toenmalige gemachtigde van eiser is gefaxt. Verder blijkt uit het dossier dat eisers gemachtigde (tijdig) beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 21 maart 2014 (Awb 14/7116), wat betekent eiser en zijn gemachtigde ook daadwerkelijk kennis hebben gekregen van de beschikking van 21 maart 2014. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat de meervoudige beschikking van 21 maart 2014, waarin dus een terugkeerbesluit is vervat, in werking is getreden (zie artikel 3:40 van Pro de Awb). De vraag of het terugkeerbesluit van 4 oktober 2013 eveneens in werking is getreden, kan, gelet op wat er hierna (onder 1.6) is overwogen, onbeantwoord blijven.
1.5.
De rechtbank stelt vast dat het bij meeromvattende beschikking van 21 maart 2014 aan eiser opgelegde terugkeerbesluit geen uitdrukkelijke opdracht aan eiser bevat om naar Marokko terug te keren. Wel volgt uit die beschikking dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Verder is in die beschikking uitgebreid gemotiveerd dat terugkeer van eiser naar Marokko geen schending van artikel 3 van Pro het EVRM (om medische redenen) oplevert. In de asielprocedure is verder ook geen ander land van terugkeer ter sprake gekomen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit de motivering van het besluit van 21 maart 2014 duidelijk blijkt dat verweerder van eiser verwacht dat hij terugkeert naar Marokko en dat verweerder eiser naar Marokko zal uitzetten als hij daarheen niet uit eigen beweging terugkeert. Ook de daaropvolgende vertrekprocedures zijn steeds gericht geweest op de terugkeer van eiser naar Marokko. Na het besluit van 21 maart 2014 heeft er dan ook op geen enkel moment onduidelijkheid bestaan over het land waarheen eiser moet terugkeren (namelijk Marokko).
1.6.
Uit het voorgaande volgt dat het terugkeerbesluit in de meeromvattende beschikking van 21 maart 2014, ofwel op zichzelf ofwel in aanvulling op en dus in samenhang bezien met het eerdere terugkeerbesluit van 4 oktober 2013 (voor zover dat in werking is getreden), voldoet aan alle vereisten waaraan een terugkeerbesluit (volgens het arrest FMS en de Afdelingsuitspraak van 2 juni 2021) moet voldoen, waaronder het vereiste dat in het terugkeerbesluit het land van terugkeer moet worden vermeld. Dit betekent dat er op 21 maart 2014 hoe dan ook een terugkeerbesluit tegen eiser is genomen. Niet is gebleken dat dit terugkeerbesluit na 21 maart 2014 op enig moment is uitgewerkt.
1.7.
Op grond van het vorenstaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat het aanvullend terugkeerbesluit van 24 oktober 2023 geen andere rechtsgevolgen in het leven roept dan het terugkeerbesluit van 21 maart 2014. Dit betekent dat het aanvullend terugkeerbesluit geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb waartegen op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb beroep kan worden ingesteld. De rechtbank is om die reden onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit van 24 oktober 2023. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden die eiser tegen het aanvullend terugkeerbesluit heeft aangevoerd.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.