ECLI:NL:RBDHA:2025:7646

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18049
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 5 EVRMArt. 8 EVRMArt. 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren bewaring en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, die op 28 oktober 2024 was opgelegd en later op 14 april 2025 werd opgeheven.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing en of eiser recht had op schadevergoeding. Eiser voerde meerdere gronden aan, waaronder het ontbreken van een individuele belangenafweging, het ontbreken van zicht op uitzetting, onvoldoende voortvarendheid van de minister en het niet toepassen van een lichter middel.

De rechtbank verwierp alle beroepsgronden. Zij oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, dat het zicht op uitzetting niet ontbrak ondanks annulering van een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten, en dat het niet opleggen van een lichter middel gerechtvaardigd was. Ook werd verwezen naar eerdere uitspraken waarin dezelfde gronden waren behandeld.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18049

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 28 oktober 2024.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 18 november 2024 [1] en op de vervolgberoepen bij uitspraken van 24 december 2024 [2] , 31 januari 2025 [3] en 13 maart 2025. [4]
De minister heeft op 14 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Ook heeft de minister de verslagen van de vertrekgesprekken van 20 maart 2025 en van 4 april 2025 overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. Uit de uitspraak van 13 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 7 maart 2025.
Had de minister een (verzwaarde) belangenafweging moeten maken?
3. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van het voortduren van de bewaring ten onrechte geen individuele belangenafweging heeft gemaakt en dat de algemene overweging van de minister in document Model M120, (voortgangs)gegevens, hiertoe onvoldoende is. Er is dan ook sprake van een motiveringsgebrek waarmee de minister niet heeft voldaan aan de vereisten uit het Mahdi arrest. [5]
3. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij hiermee beoogt te betogen dat de minister in de voortgangsrapportage een verzwaarde belangenafweging had moeten maken. De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 24 december 2024 en in de beroepen die hebben heeft geleid tot de uitspraken van 31 januari 2025 en 13 maart 2025. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak van 24 december 2024, rechtsoverweging 3.1 van de uitspraak van 31 januari 2025 en rechtsoverweging 3.1 van de uitspraak van 13 maart 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders over de beroepsgrond te oordelen.
Had de minister de inbewaringstelling van eiser vanaf 13 maart 2025 moeten opheffen, omdat eiser heeft aangegeven mee te willen werken aan zijn vertrek?
4. Eiser betoogt primair dat zijn inbewaringstelling vanaf 13 maart 2025 onrechtmatig is, omdat eiser heeft aangegeven mee te willen werken aan zijn uitzetting. Hierbij is het van belang dat eiser de minister nadrukkelijk heeft verzocht om een persoonlijke presentatie bij het Algerijnse consulaat en een kopie van zijn rijbewijs heeft verstrekt. Ook heeft eiser meermaals telefonisch contact gezocht met het Algerijnse consulaat.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de inbewaringstelling van eiser niet hoeven opheffen vanaf de uitspraak van de rechtbank op 13 maart 2025, enkel omdat eiser zou hebben aangegeven dat hij mee wil werken aan een uitzetting. De rechtbank wijst er in dit kader op dat deze grond eerder is aangevoerd in de beroepen die hebben geleid tot de uitspraken van 31 januari 2025 en 24 december 2024. De rechtbank verwijst in dit kader dan ook naar rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak van 24 december 2024 en rechtsoverweging 3.1 van de uitspraak van 31 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen. Overigens heeft de minister er op zitting terecht op gewezen dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 4 april 2025 geen meewerkende houding vertoont. Eiser scheldt dan de regievoerder van DT&V uit en verscheurt de aan hem uitgereikte papieren. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
5. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn ontbrak na de laatste uitspraak van 13 maart 2025. De Algerijnse autoriteiten hebben namelijk nooit gereageerd op de schriftelijke rapellen van de minister. Bovendien is de nationaliteit van eiser niet bevestigd nadat hij aanvullende stukken heeft overgelegd. Subsidiair betoogt eiser dat zijn inbewaringstelling onrechtmatig heeft voortgeduurd na de annulering van de presentatie bij de vertegenwoordiging van de Algerijnse autoriteiten. Deze presentatie stond gepland op 8 april 2025, maar is zonder reden geannuleerd. Na de annulering van deze presentatie in persoon was er geen zicht op uitzetting meer, waardoor de bewaring opgeheven had moeten worden. De door de minister gemaakte belangenafweging van 14 april 2025 had eerder moeten plaatsvinden.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Daartoe verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de uitspraak van 24 december 2024, rechtsoverweging 8.1, de uitspraak van 31 januari 2024 rechtsoverweging 5.1 en de uitspraak van 13 maart 2025, rechtsoverweging 4.1. Zoals ook in de uitspraak van 24 december 2024, in rechtsoverweging 8.1, is aangegeven, mag aan de Algerijnse autoriteiten enige tijd worden gegund om de afgifte van een laissez-passer in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven. Niet valt in te zien waarom er dan geen zicht op uitzetting zou bestaan. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat het zicht op uitzetting op 8 april 2025 ontbrak. Op de zitting heeft de minister uitgelegd dat de presentatie van eiser bij de Algerijnse autoriteiten op 7 april 2025 om onbekende redenen door de consul is geannuleerd. Hierna heeft de minister geprobeerd om een nieuwe presentatie in persoon te plannen, maar dit is niet gelukt. Gelet op de verzwaarde belangenafweging die na zes maanden moet plaatsvinden, in dit geval op 28 april 2025, is er toen besloten om de maatregel op te heffen. Gelet op deze gang van zaken volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat vanaf 8 april 2025 geen zicht op uitzetting meer bestond. Hierna is de minister immers nog bezig geweest om een nieuwe presentatie in persoon van eiser bij de Algerijnse autoriteiten te plannen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
6. Eiser betoogt dat de minister geen effectieve uitzettingshandelingen heeft verricht na de uitspraak van deze rechtbank van 13 maart 2025. Hierdoor heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De minister heeft op 20 maart 2025 en op 4 april 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Ook heeft de minister op 20 maart 2025 en op 4 april 2025 gerappelleerd bij de vertegenwoordiging van de Algerijnse autoriteiten in Nederland. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat er geen effectieve uitzettingshandelingen zijn verricht na 13 maart 2025 dan ook niet. Dit is voldoende voor de conclusie dat de minister tot aan de opheffing van de maatregel voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel?
7. Eiser voert tot slot aan dat de minister ten onrechte niet heeft volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling na de uitspraak van deze rechtbank van 13 maart 2025. Eiser betoogt dat dit in strijd is met artikel 5 en Pro artikel 8 van Pro het EVRM, artikel 5, aanhef en onder c, van de Terugkeerrichtlijn en artikel 2 van Pro het EU Handvest. Eiser voert aan dat hij last heeft van hartklachten. Ook heeft eiser verschillende psychosomatische klachten, zoals depressiviteit, stress, slapeloosheid en lusteloosheid.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister geen lichter middel hoeven opleggen aan eiser. De rechtbank merkt (wederom) op dat deze grond in vergelijkbare bewoordingen eerder is aangevoerd in de eerdere beroepen van eiser, die hebben geleid tot de uitspraken van 24 december 2024, 31 januari 2025 en 13 maart 2025. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om te verwijzen naar rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van 24 december 2024, rechtsoverweging 4.1 van de uitspraak van 31 januari 2025 en rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak van 13 maart 2025. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag, zp Arnhem, 18 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19472.
2.Rb Den Haag, zp Arnhem, 24 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22169.
3.Rb Den Haag, zp Arnhem, 31 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1474.
4.Rb Den Haag, zp Arnhem, 13 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3898.
5.HvJEU 5 juni 2014, Mahdi, C-146/14 PPU, ECLI:EU:C:2014:1320.
6.ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829