ECLI:NL:RBDHA:2025:7646
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren bewaring en afwijzing schadevergoeding
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, die op 28 oktober 2024 was opgelegd en later op 14 april 2025 werd opgeheven.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing en of eiser recht had op schadevergoeding. Eiser voerde meerdere gronden aan, waaronder het ontbreken van een individuele belangenafweging, het ontbreken van zicht op uitzetting, onvoldoende voortvarendheid van de minister en het niet toepassen van een lichter middel.
De rechtbank verwierp alle beroepsgronden. Zij oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, dat het zicht op uitzetting niet ontbrak ondanks annulering van een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten, en dat het niet opleggen van een lichter middel gerechtvaardigd was. Ook werd verwezen naar eerdere uitspraken waarin dezelfde gronden waren behandeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.