Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden had beslist op zijn asielaanvraag van 9 juni 2023. De minister had deze termijn met negen maanden verlengd, maar ook deze verlenging was verstreken zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen vier weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen, rekening houdend met het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat op 3 juli 2024 een nader gehoor heeft plaatsgevonden, geldt een kortere beslistermijn van vier weken.
De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.