ECLI:NL:RBDHA:2025:789
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring na zes maanden
De minister van Asiel en Migratie heeft op 9 september 2024 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die nog voortduurt. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van deze maatregel getoetst bij uitspraken in september, november en december 2024. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelt nu of de maatregel sinds 17 december 2024, het moment van sluiten van het laatste onderzoek, rechtmatig is. De minister heeft een verzwaarde belangenafweging gemaakt op 16 december 2024, omdat de bewaring toen zes maanden duurde. Deze afweging is deugdelijk gemotiveerd met verwijzing naar het frustreren van het onderzoek door eiser en zijn onvoldoende medewerking aan terugkeer.
Eiser stelde dat de verzwaarde belangenafweging in de maatregel zelf moet blijken en dat de minister onvoldoende voortvarend zou zijn in de uitzetting. De rechtbank oordeelt dat een verlengingsbesluit niet verplicht was en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door vertrekgesprekken en rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.