ECLI:NL:RBDHA:2025:8013
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring
De minister legde op 4 november 2024 aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 22 april 2025 opgeheven.
De rechtbank behandelde het beroep op 2 mei 2025 in een mondelinge zitting waarbij eiser en zijn gemachtigde afwezig waren. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. De kernvraag was of het voortduren van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest.
De rechtbank stelde vast dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbrak, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister had voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting, met twee schriftelijke rappels aan de Algerijnse autoriteiten en een vertrekgesprek met eiser vlak voor de opheffing.
Verder concludeerde de rechtbank dat een lichter middel niet volstond om de uitzetting te waarborgen en dat de voortzetting van de bewaring gerechtvaardigd was. Er was geen grond om te oordelen dat de bewaring onrechtmatig was gedurende de relevante periode. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.