ECLI:NL:RBDHA:2025:8013

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18577
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring

De minister legde op 4 november 2024 aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 22 april 2025 opgeheven.

De rechtbank behandelde het beroep op 2 mei 2025 in een mondelinge zitting waarbij eiser en zijn gemachtigde afwezig waren. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. De kernvraag was of het voortduren van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest.

De rechtbank stelde vast dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbrak, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister had voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting, met twee schriftelijke rappels aan de Algerijnse autoriteiten en een vertrekgesprek met eiser vlak voor de opheffing.

Verder concludeerde de rechtbank dat een lichter middel niet volstond om de uitzetting te waarborgen en dat de voortzetting van de bewaring gerechtvaardigd was. Er was geen grond om te oordelen dat de bewaring onrechtmatig was gedurende de relevante periode. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18577
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen

[naam], eiser,

van Algerijnse nationaliteit,
geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1.1.
De minister heeft op 4 november 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3.
De minister heeft op 22 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct daarna mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, gaat het hier om de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend omdat het voortduren van de bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
4. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 25 maart 2025 (in de zaak NL25.12001). Voor dit beroep is daarom van belang wat er tussen 21 maart en 22 april 2025 is gebeurd.
5. Eiser stelt dat er voor de opheffing al geen zicht op uitzetting meer was en dat er onvoldoende voortvarend aan de uitzetting is gewerkt.
6. De rechtbank is van oordeel dat tot het moment van opheffing zicht op uitzetting niet ontbrak. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraken van de Afdeling [2] van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp [3] voor eiser te zullen verstrekken. Het feit dat de bewaring is opgeheven vanwege een belangenafweging maakt niet dat zicht op uitzetting ontbrak.
6.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage volgt dat sinds het sluiten van het vorige onderzoek er twee keer schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, te weten op 10 april 2025 en 17 april 2025. Ook is er op 22 april 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
6.2.
De rechtbank overweegt tot slot dat zij in haar eerdere uitspraak van 15 november 2024 [4] heeft geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. In de door eiser aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat een lichter middel nu wel had kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd was.
6.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het opheffen van de maatregel op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

7. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de bewaring tussen 21 maart en 22 april 2025 mocht voortduren. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2025 door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie openbaar gemaakt op rechtspraak.nl op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Laissez-passer.
4.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19124.