ECLI:NL:RBDHA:2025:8017
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser, een Unieburger van Griekse nationaliteit, verbleef drie maanden en twee weken in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de bewaring onrechtmatig was verlengd en dat deze na twee maanden had moeten worden opgeheven, verwijzend naar het evenredigheidsbeginsel en jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie.
De minister heeft de bewaring opgeheven op 25 april 2025 en de rechtbank heeft het beroep op 2 mei 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank heeft onderzocht of de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het verkrijgen van reisdocumenten en de organisatie van de verwijdering.
De rechtbank concludeerde dat de duur van de bewaring aanzienlijk korter was dan de maximale termijn voor onderdanen van derde landen en dat de minister meer dan gebruikelijke voortvarendheid heeft betracht. Dit blijkt uit het vertrekgesprek, de bekendmaking van vluchtgegevens, presentatie bij de Griekse autoriteiten en daadwerkelijke uitzetting binnen een korte periode.
Daarom was het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig en is het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding is eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.