ECLI:NL:RBDHA:2025:8081
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, voerde beroep aan tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel was opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet en duurde voort sinds 11 februari 2025.
De rechtbank toetste het voortduren van de maatregel vanaf 28 maart 2025, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser stelde dat er geen zicht op uitzetting was omdat de nationaliteitsbevestiging uitbleef en dat de minister onvoldoende voortvarend handelde. Ook stelde hij dat hij niet de noodzakelijke medische zorg ontving.
De rechtbank oordeelde dat zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt, mede gelet op het lopende laissez-passer traject sinds juni 2024 en de inspanningen van de minister, waaronder een rappèl in april 2025. De stelling van eiser over de nationaliteitsbevestiging op basis van dactyloscopisch profiel werd niet onderbouwd. De minister handelde voldoende voortvarend en het verzoek om een lichter middel werd afgewezen.
Ten aanzien van de medische zorg concludeerde de rechtbank dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de zorg in detentie niet gelijkwaardig was aan die in de vrije maatschappij. De medische stukken toonden geen medisch noodzakelijke zorg aan die ontbrak. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.