ECLI:NL:RBDHA:2025:8105

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
NL25.12340
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus – Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Artikel 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft tijdens de zitting op 16 april 2025 de argumenten van eiser en de minister gehoord. Eiser stelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk nog steeds geldt, mede vanwege het risico dat hij als jongmeerderjarige man met een uitzettingsbevel in Frankrijk op straat zou belanden, verwijzend naar het AIDA Country Report: France (update 2023).

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aangezien eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook het betoog dat zijn aanvraag mogelijk als opvolgende aanvraag wordt gezien en hij daardoor geen opvang krijgt, werd verworpen. De minister hoefde de aanvraag niet onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk. De minister dient nader onderzoek te doen naar het risico dat eiser als jongmeerderjarige man met een uitzettingsbevel van Frankrijk loopt bij overdracht aan Frankrijk. Hierbij wijst eiser erop dat hij een voorzienbaar risico loopt om op straat te belanden, gelet op het AIDA Country Report: France (update 2023). Eiser heeft op de zitting toegelicht dat zijn asielverzoek mogelijk als opvolgende asielaanvraag wordt gezien omdat hij misschien in het verleden, als minderjarige, al een asielvergunning heeft gehad. Uit de landeninformatie blijkt dat wanneer sprake is van een opvolgende aanvraag, vreemdelingen in Frankrijk niet toegelaten worden tot de opvangvoorzieningen. Daarnaast loopt eiser het risico om niet toegelaten te worden tot de asielprocedure omdat Frankrijk het claimverzoek heeft geaccepteerd op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
5.1.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat voor Frankrijk in het algemeen kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hier niet langer van mag worden uitgegaan. Hierin is eiser niet geslaagd. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2023 [2] blijkt dat uit het AIDA Country Report: France (update 2022) weliswaar kan worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. Hier komt nog bij dat de Afdeling recent heeft geoordeeld [3] dat het meest recente AIDA-rapport, waar eiser zich op beroept, geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan naar voren is gekomen uit de landeninformatie die bij voorgaande uitspraken is betrokken en onvoldoende is voor het oordeel dat voor Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Daar komt bij dat eiser met zijn verwijzing naar het AIDA-rapport geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht dat alleenstaande, meerderjarige, niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers, zoals eiser, bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico lopen om langdurig verstoken te blijven van opvang. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat Frankrijk met het claimakkoord de garantie heeft gegeven dat de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen, in behandeling wordt genomen. De minister had geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen naar de vraag of voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Mocht eiser van mening zijn dat Frankrijk zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt, dan ligt het op de weg van eiser om daarover te klagen bij de daartoe bevoegde Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat de daartoe bevoegde Franse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.
Het betoog van eiser dat zijn aanvraag mogelijk wordt gezien als een opvolgende aanvraag, waardoor hij geen toegang krijgt tot de opvang, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft weliswaar in zijn aanmeldgehoor verklaard dat hij in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming (asielverzoek) heeft ingediend, maar met de correcties en aanvullingen heeft hij dit ontkend en gesteld dat deze verklaring ging over zijn verzoek om regulier voortgezet verblijf. Ook in de zienswijze heeft eiser gesteld dat hij geen asielverzoek heeft ingediend in Frankrijk. Daarnaast blijkt ook uit het claimakkoord, zoals ook eiser in de zienswijze stelt, niet dat eiser eerder een asielverzoek heeft ingediend. In het claimakkoord staat dat Frankrijk het claimverzoek accepteert omdat eiser houder is van een verblijfstitel is in Frankrijk die minder dan twee jaar is verlopen (artikel 12, vijfde lid van de Dublinverordening). Hierdoor is niet aannemelijk dat als eiser een asielaanvraag in Frankrijk doet, deze aanvraag gezien zal worden als een opvolgende aanvraag. Zoals hierboven weergegeven heeft de Afdeling al een oordeel gegeven over de algemene opvangsituatie in Frankrijk. Die is geen aanleiding om voor Frankrijk niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich moeten trekken?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de asielaanvraag niet onverplicht aan zich heeft getrokken vanwege eisers individuele omstandigheden. Eiser verblijft sinds 2009 niet meer in zijn land van herkomst en is sinds 2018 in Europa. Daarnaast heeft eiser in Frankrijk een aanvraag gedaan voor de voortzetting van zijn reguliere verblijfsrecht, maar zoals blijkt uit de overgelegde stukken, is hem dit verblijf onthouden en een inhoudelijke behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming heeft hij niet gehad.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan de minister in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten om een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Dit is een discretionaire bevoegdheid waarvan de minister terughoudend gebruikt maakt, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid. [4]
6.2.
In het betoog van eiser heeft de minister geen aanleiding hoeven te zien om de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Hierbij heeft de minister de omstandigheden in Frankrijk al betrokken bij de vraag of concrete aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Dit hoeft de minister daarom niet nogmaals te beoordelen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [5] Wat betreft eisers betoog dat hij al sinds 2018 in Europa verblijft, heeft de minister opgemerkt dat eiser bij een overdracht aan Frankrijk ook in Europa zal blijven. Dit maakt daarom niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan af moet worden gezien van overdracht aan Frankrijk. Datzelfde geldt voor het betoog dat het voortgezette verblijf in Frankrijk aan eiser is onthouden. De minister stelt namelijk niet ten onrechte dat niet is gebleken dat de Franse autoriteiten hier willekeurig toe over zijn gegaan. Verder stelt de minister terecht dat eiser geen inhoudelijke behandeling heeft gehad van zijn asielaanvraag, omdat hij geen asielaanvraag in Frankrijk heeft ingediend. Met het claimakkoord hebben de Franse autoriteiten echter gegarandeerd om zijn asielaanvraag in behandeling te nemen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven en eiser geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus – Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.ABRvS 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737.
3.ABRvS 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552.
4.Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Gelet op ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860.