ECLI:NL:RBDHA:2025:825
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Bruinse - Pot
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Spanje op grond van Dublinverordening
Eisers, bestaande uit een moeder en haar minderjarige dochter, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, die bepaalt dat de lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag indien deze lidstaat een geldige verblijfstitel heeft afgegeven. Nederland had Spanje verzocht de aanvraag over te nemen, waarop Spanje niet tijdig reageerde, waardoor dit verzoek als aanvaard werd beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat het procedurele verblijfsrecht van eiseres op grond van een Chavez-aanvraag geen geldige verblijfstitel is in de zin van de Dublinverordening, waardoor Nederland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarnaast wees de rechtbank het beroep af op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening, omdat eiseres niet medisch afhankelijk is van haar familieleden in Nederland en het feit dat zij een jonge alleenstaande moeder is, geen grond vormt voor toepassing van dit artikel.
Ook de discretionaire bevoegdheid van de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen werd niet toegewezen. De rechtbank vond dat de omstandigheden van eiseres, waaronder haar familiebanden en eerdere afwijzingen, geen bijzondere individuele omstandigheden vormen die overdracht naar Spanje onevenredig hard maken. De belangen van het minderjarige kind worden volgens de rechtbank voldoende gewaarborgd in Spanje. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de overdracht aan Spanje blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eisers mogen worden overgedragen aan Spanje.