Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 25 oktober 2023 en verlengde de beslistermijn met negen maanden. Eiser stelde de minister op 10 februari 2025 in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de verlengde termijn heeft besloten. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van zestien weken, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 453,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en bekendgemaakt op 27 maart 2025. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.