ECLI:NL:RBDHA:2025:8410
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De aanvraag werd ingediend op 4 augustus 2023, waarna de minister de beslistermijn met drie maanden verlengde, waardoor uiterlijk 2 februari 2024 een besluit had moeten worden genomen. Deze termijn is verstreken zonder besluit. Eisers stelden de minister rechtsgeldig in gebreke op 28 februari 2024 en dienden op 19 maart 2024 beroep in, wat tijdig was.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt op grond van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met de mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek nodig is en schriftelijk wordt meegedeeld. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor het overschrijden van deze termijn.
De rechtbank stelt vast dat de minister reeds €1.442 aan bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd en veroordeelt de minister tot betaling hiervan aan eisers. Daarnaast worden de proceskosten van €453,50 en het griffierecht van €187 aan eisers toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 12 mei 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder oplegging van dwangsommen en vergoeding van proceskosten.