ECLI:NL:RBDHA:2025:8600
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon die sinds 1993 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in Nederland had, verzocht om vernieuwing van zijn verblijfsdocument. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in omdat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd, met name in Spanje, waar hij van november 2021 tot juli 2023 verbleef.
Eiser voerde aan dat verweerder de bewijslast niet correct had toegepast, dat hij ten onrechte niet was gehoord tijdens bezwaar, en dat hij als langdurig ingezetene en settled migrant moest worden beschouwd. Tevens stelde hij dat zijn banden met Nederland sterk zijn, mede door zijn familie en langdurig verblijf sinds jonge leeftijd.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectief bewijs had geleverd om zijn hoofdverblijf in Nederland aan te tonen. Verweerder had terecht geconcludeerd dat eiser zijn hoofdverblijf had verplaatst, mede gelet op zijn uitschrijving uit de BRP, het ontbreken van woonruimte, werk en sociale contacten in Nederland, en zijn verblijf in Spanje. De rechtbank vond dat verweerder de belangenafweging op juiste wijze had gemaakt, ook met betrekking tot artikel 8 EVRM Pro en het Besluit 1/80.
De hoorplicht werd niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en eiser geen nieuwe feiten of stukken had ingebracht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning blijft in stand.