ECLI:NL:RVS:2021:607
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens vermeende hoofdverblijfplaats in België
De vreemdeling, met de Chinese nationaliteit, kreeg in 2008 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanwege verblijf bij zijn partner en kinderen met de Nederlandse nationaliteit. De staatssecretaris trok deze vergunning in met terugwerkende kracht tot 1 april 2018 en wees de verlenging af, stellende dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf naar België had verplaatst.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende bewijs had geleverd, onder meer op basis van verklaringen van de oudste dochter, processen-verbaal van huisbezoeken en pintransacties in België. De vreemdeling betwistte dit en voerde aan dat de verklaringen onbetrouwbaar waren en dat de pintransacties verklaarbaar waren door bezoek aan België.
De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris niet aan zijn bewijslast had voldaan. De verklaringen van de oudste dochter waren tegenstrijdig, de processen-verbaal boden onvoldoende bewijs voor verplaatsing van het hoofdverblijf en de pintransacties waren onvoldoende om het hoofdverblijf buiten Nederland aannemelijk te maken. Foto's van een verblijfsruimte in België werden niet als bewijs erkend.
De Raad vernietigde het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank, en gelastte een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland.