ECLI:NL:RBDHA:2025:8981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
NL25.16533
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen voor spoedige beslissing mvv-aanvragen ouders ernstig zieke verzoeker

Verzoeker, die een verblijfsstatus in Nederland heeft, heeft mvv-aanvragen ingediend voor zijn (gestelde) ouders, welke door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen wegens twijfel aan de familierechtelijke relatie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker de familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt aan de hand van verschillende authentieke documenten en dat er sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang vanwege de ernstige medische situatie van verzoeker met een grote kans op overlijden op korte termijn.

De minister heeft nagelaten een volledige belangenafweging te maken, terwijl de aanwezigheid van de ouders essentieel is voor de zorg en ondersteuning van verzoeker. Daarom wordt de minister opgedragen binnen twee weken op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en minister moet binnen twee weken op bezwaar beslissen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16533
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. P.A.L.A van Ittersum)

Inleiding

Bij besluiten van 29 oktober 2024 heeft verweerder de aanvragen van verzoeker om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn (gestelde) ouders voor verblijf onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van Pro het EVRM’ afgewezen (bestreden besluiten).
Verzoeker heeft op 22 november 2024 bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Hij heeft de voorzieningenrechter vervolgens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die er – kort gezegd – toe strekt een zo spoedig mogelijke komst van [naam 1] en [naam 2] naar Nederland mogelijk te maken.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
De besluiten in bezwaar
2. Verzoeker heeft een verblijfsstatus in Nederland. Hij heeft mvv-aanvragen ingediend voor zijn (gestelde) ouders. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen. Volgens verweerder is de familierechtelijke relatie tussen verzoeker en zijn (gestelde) ouders niet
aannemelijk gemaakt. Dit blijkt namelijk niet uit de documenten die hij heeft opgestuurd. Verweerder heeft verzoeker op dit punt ook niet het voordeel van de twijfel gegeven in het kader van de integrale beoordeling. Verder bestaan er volgens verweerder geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoeker en zijn ouders, en is er dus geen sprake van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het verzoek
3. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter primair om te bepalen dat verweerder zijn ouders dient te behandelen als ware zij in het bezit van een mvv. Subsidiair en meer subsidiair vraagt hij verschillende voorzieningen die ertoe strekken dat verweerder snel op het bezwaar in de zaken beslist. Verzoeker is ernstig ziek en heeft de ondersteuning en zorg van zijn ouders nodig. De kans op overlijden op korte termijn is groot en het is noodzakelijk dat hij kan terugvallen op een betrouwbaar netwerk zoals zijn familie voor de nodige ondersteuning. Dit volgt ook uit de brief van internist hematoloog [naam 3] (Erasmus Medisch Centrum) van 8 april 2025. Hiermee is volgens verzoeker ook het spoedeisend belang gegeven. Gelet op de documenten in het dossier, had verzoeker het voordeel van de twijfel moeten krijgen als het gaat om de familierechtelijke relatie met zijn ouders. Het bezwaar heeft een redelijke kans van slagen.

Het niet-tijdelijke karakter van het verzoek en de gevolgen hiervan

4. Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5. De voorziening die door verzoeker is gevraagd heeft geen voorlopig karakter, omdat toewijzing hiervan er (min of meer) toe leidt dat de (gestelde) ouders van verzoeker Nederland mogen inreizen. Door toewijzing van het verzoek ontstaat dus feitelijk de situatie die verzoeker met de aanvragen heeft beoogd, terwijl verweerder nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van de toewijzing van de voorlopige voorziening zijn in die zin onomkeerbaar, waardoor verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Voor zo’n vergaande beslissing is in beginsel alleen plaats wanneer een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe dwingt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er in deze zaak zo’n zwaarwegend spoedeisend belang en moet ook sterk worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Verzoeker heeft acute lymfatische leukemie. In de brief van de medisch specialist van 8 april 2025 staat dat zijn medische situatie zo ernstig is dat de kans op overlijden “op korte termijn” als gevolg van zijn ziekte groot is. Hiermee is het zwaarwegend spoedeisend belang al gegeven. Als het gaat om de inhoud van de bestreden besluiten, constateert de voorzieningenrechter dat verweerder zich ten aanzien van de beoordeling van de familierechtelijke relatie tussen verzoeker en zijn ouders terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker geen originele geboorteakte heeft overgelegd, maar verweerder heeft nagelaten om de documenten die wel zijn overgelegd – waarvan een aantal
ook is onderzocht en echt is bevonden – in onderlinge samenhang te bezien. Verweerder heeft niet toegespitst gemotiveerd waarom verzoeker geen voordeel van de twijfel verdient. Verzoeker heeft verschillende documenten ingediend om aan te tonen dat [naam 1] en
[naam 2] zijn ouders zijn. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom hierna inhoudelijk beoordelen, ondanks het feit dat de verzochte voorziening geen voorlopig karakter heeft. Vanwege het spoedeisende karakter van deze zaak zal de voorzieningenrechter zo veel mogelijk in de beoordeling van de mvv-aanvragen treden.
Is de familierechtelijke relatie aannemelijk gemaakt?
7. Verweerder heeft in de bestreden besluiten volstaan met de constatering dat de identiteit van de ouders aannemelijk is gemaakt, maar de familierechtelijke relatie niet volgt uit hun geboorteakten en dat kopieën van documenten niet worden onderzocht door Bureau Documenten. Op de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet verder hoefde te worden getoetst omdat verzoeker wel over zijn originele geboorteakte beschikte, maar deze (nog) niet had ingediend bij Bureau Documenten. Dit strookt echter niet met het feit dat verweerder wel andere documenten heeft laten onderzoeken en heeft betrokken bij de beoordeling (zij het erg summier). Ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:969, r.o. 2 en 2.1) dat verweerder de documenten in onderlinge samenhang moet bezien, ook al gaat het niet om nareis. De voorzieningenrechter zal de aannemelijkheid van de familierechtelijke relatie daarom hierna zelf beoordelen.
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker de familierechtelijke relatie tussen hem en zijn ouders wel aannemelijk gemaakt. De identiteitsdocumenten en geboorteakten van de ouders zijn op echtheid onderzocht en echt bevonden. Op verzoekers paspoort, dat ook echt is bevonden, staat de naam van zijn moeder. Daarnaast heeft verzoeker een (echt bevonden) verklaring van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 5 augustus 2024 overgelegd, waarop de namen, geboortedata en ID-nummers van zijn ouders staan, dat zij getrouwd zijn, en waarop staat dat verzoeker (ook met naam, geboortedatum en ID-nummer genoemd) hun kind is. Dit volgt ook uit de beëdigd vertaalde kopie ‘Bewijs familie’ van het Directoraat Burgerlijke Aangelegenheden van 18 augustus 2024. Verzoeker heeft ook een kopie van zijn eigen geboorteakte met beëdigde vertaling overgelegd, waarop zijn ouders staan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter waren deze documenten, in onderlinge samenhang bezien, voldoende om de familierechtelijke relatie aannemelijk te maken. Dat de geboorteakte van verzoeker alleen in kopie is overgelegd maakt dit, in tegenstelling tot wat verweerder op de zitting heeft gesteld, niet anders. Er waren voldoende andere, ook echt bevonden, documenten beschikbaar.

Is het bestaan van familie- en gezinsleven aannemelijk gemaakt?

9. In de bestreden besluiten heeft verweerder gesteld dat geen sprake is van familie- en gezinsleven, omdat de zorg in handen is van ‘de specialisten’ en het beleid is bedoeld voor gezinshereniging en niet voor medische omstandigheden. Dit standpunt is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onhoudbaar. Verweerder heeft hiermee nagelaten een volledige en juiste beoordeling van het familie- en gezinsleven te maken, zodat de voorzieningenrechter dat hierna zal doen.
10. Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vc volgt dat familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen meerderjarigen wordt aangenomen als sprake is van een
meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than normal emotional ties’). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) spreekt in dit kader van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bij de vraag of daarvan sprake is moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder of iemand vanwege zijn medische toestand afhankelijk is van het familielid (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188). Het is niet vereist dat een vreemdeling volledig en exclusief van zorg afhankelijk is van één familielid (zie de uitspraken van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, onder 3.2 en van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006).
11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid, en daarmee dus ook van familie- en gezinsleven, aannemelijk gemaakt. Uit de brief van internist hematoloog [naam 4] (Kanker Instituut Hematologie) van 21 juni 2024 volgt dat het vanwege verzoekers medische omstandigheden (“grote kans op overlijden, ernstige infecties of terugkeer van de ziekte”) nodig is dat verzoekers ouders in Nederland zijn. Inmiddels is ook duidelijk geworden dat de ziekte na de allogene donor stamceltransplantatie is teruggekeerd. Volgens de medisch specialist in de brief van 8 april 2025 is de kans op overlijden op korte termijn als gevolg van de ziekte groot. Uit de brief volgt verder dat verzoeker de komende maanden een intensieve behandeling zal ondergaan met wekelijkse poliklinische bezoeken, infusies van medicatie, en mogelijke bloedtransfusies. Hij neemt vijf soorten medicijnen en heeft levenslang behandeling nodig. Hij heeft een beperkt zorg- en steunsysteem en heeft recent onvoldoende kunnen eten vanwege gebrekkige zorg. Verzoeker moet volgens de internist hematoloog kunnen terugvallen op een betrouwbaar netwerk zoals zijn familie, ook zodat hij zich tijdig kan melden bij het optreden van bijwerkingen. Verder heeft verzoeker onbetwist gesteld dat hij niet goed kan lopen, vaak misselijk is, slecht ziet, en dat de thuiszorg hem alleen schoonmaak kon bieden. Daarnaast heeft verzoeker bij de aanvraag gesteld dat hij angstig is voor de toekomst en vreest dat hij deze zware periode niet zonder zijn ouders kan doorkomen. De gedachte dat hij zijn ouders misschien nooit meer zou kunnen zien, vergroot zijn angst en onzekerheid. Er zijn geen familieleden of zorgverleners in Nederland die de rol van zijn ouders in het ondersteunen in een dergelijke medische situatie kunnen overnemen. In een tijd waarin verzoeker moet vechten voor zijn leven, is de aanwezigheid van zijn ouders van onschatbare waarde. Hij is alleen in Nederland, zo volgt ook uit de brief van de medisch specialist van 8 april 2025. Uit het samenstel van deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat tussen verzoeker en zijn ouders sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

Belangenafweging

12. Verweerder heeft in de bestreden besluiten geen belangenafweging gemaakt, omdat volgens verweerder geen sprake was van familie- en gezinsleven. Omdat verweerder hierover geen standpunt heeft ingenomen terwijl deze afweging in beginsel aan verweerder is om te maken, en de voorzieningenrechter mogelijk niet over alle relevante informatie beschikt, voert het naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver om ook op dit punt zelf in de zaak te voorzien. De voorzieningenrechter zal verweerder daarom opdragen de belangenafweging op korte termijn alsnog te maken. Daarbij geldt dat verweerder deze belangenafweging in het voordeel van verzoeker (en zijn ouders) moet laten uitvallen, tenzij blijkt van bijzonder zwaarwegende belangen aan de zijde van de Nederlandse Staat. Dit gelet op de schrijnende en spoedeisende situatie.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter zal het (subsidiaire) verzoek toewijzen en verweerder opdragen binnen twee weken na de datum van deze uitspraak te beslissen op bezwaar. Daarbij moet verweerder deze uitspraak in acht nemen. Dat houdt – kort gezegd – in dat verweerder de mvv-aanvragen in bezwaar alsnog zal moeten toewijzen, tenzij sprake is van bijzonder zwaarwegende belangen die maken dat de belangenafweging in het voordeel van de Nederlandse Staat moet uitvallen (zie ook hiervoor onder 12).
13. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten, omdat verzoeker in het gelijk gesteld is. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en is op de zitting geweest. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal
€ 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en draagt verweerder op om
binnen twee wekenna de datum van deze uitspraak op het bezwaar tegen de afwijzing van de mvv-aanvragen ten behoeve van [naam 1] en [naam 2] te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 mei 2025

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.