ECLI:NL:RBDHA:2025:9035
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel vreemdelingenbewaring zonder zicht op uitzetting
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 8 januari 2025 is opgelegd. Eerder zijn de oplegging en het voortduren van deze maatregel reeds getoetst. De rechtbank richt zich nu op de rechtmatigheid van de bewaring sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 27 maart 2025.
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel zoals een meldplicht, en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij de uitzetting. De rechtbank stelt vast dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring in beginsel meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die dit veranderen. De minister heeft meerdere rappelleringen verricht en een vertrekgesprek gevoerd, waarmee voldoende voortvarendheid is aangetoond.
Daarnaast is er volgens de rechtbank wel degelijk zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. Hoewel nog geen laissez-passer is afgegeven en geen presentatie is ingepland, is er geen aanwijzing dat de lp-aanvraag is afgewezen of niet in behandeling is. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.