ECLI:NL:RBDHA:2025:9036

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
NL25.20618
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling wegens gebrek aan zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag heeft op 19 mei 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 11 februari 2025 op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eerder waren al uitspraken gedaan op 3 maart en 9 april 2025 over deze maatregel.

Eiser stelde dat onvoldoende zicht bestond op zijn uitzetting, omdat de Indiase autoriteiten in Nederland niet tijdig reageerden op het verzoek om een laissez-passer. Ook voerde hij aan dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld in het uitzettingstraject. De rechtbank oordeelde echter dat deze gronden niet slaagden, verwijzend naar eerdere uitspraken en de recente voortgangsrapportages en vertrekgesprekken.

De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende inspanningen had geleverd door meerdere rappels bij de Indiase autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken met eiser. Ambtshalve toetsing leverde geen reden op om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20618

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 11 februari 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep en een vervolgberoep is beslist bij uitspraken van 3 maart 2025 [1] en 9 april 2025. [2]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Ook heeft de minister de verslagen van de vertrekgesprekken van 14 februari 2025, 13 maart 2025 en 11 april 2025 overgelegd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 12 mei 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 9 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

Ontbreekt het zicht op uitzetting?

3. Eiser betoogt dat onvoldoende zicht op uitzetting bestaat. In dit kader voert eiser het volgende aan. De minister heeft een laissez-passer traject opgestart bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten in Nederland. De vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten in Nederland hebben nog niet gereageerd op dit verzoek. Ondanks dat eiser op 5 maart 2025 is gepresenteerd bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten in Nederland, ziet het er niet naar uit dat de Indiase autoriteiten op korte termijn een laissez-passer zullen verstrekken aan eiser. In dit kader is het ook van belang dat eerder voor eiser een laissez-passer traject is opgestart in 2023. Eiser is toen ook gepresenteerd bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten in Nederland. Eiser is toen ook niet uitgezet en de bewaring is destijds opgeheven.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Wat eiser betoogt heeft de rechtbank al beoordeeld in de eerdere uitspraken van 3 maart 2025 en 9 april 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders over de beroepsgrond te oordelen en verwijst voor de motivering van deze beslissing naar de uitspraak van 3 maart 2025.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. In dit kader voert eiser aan dat de minister sinds de vorige uitspraak van 9 april 2025 slechts twee keer heeft gerappelleerd bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten in Nederland en één vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Eiser betoogt dat dit onvoldoende is, omdat hij al sinds 2023 wacht op een laissez-passer.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Door op 10 april 2025 en op 1 mei 2025 te rappelleren bij de vertegenwoordiging van de Indiase autoriteiten in Nederland, en op 11 april 2025 een vertrekgesprek met eiser te houden is door de minister voldoende voortvarend gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag, zp Arnhem, 3 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3690
2.Rb Den Haag, zp Arnhem, 9 april 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:6049.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.