ECLI:NL:RBDHA:2025:9413

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
28 mei 2025
Zaaknummer
NL25.20891
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortzetting maatregel bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 28 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen de voortzetting van deze maatregel beroep ingesteld en tevens om schadevergoeding verzocht. De rechtbank heeft de maatregel reeds eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 1 april 2025.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de maatregel sinds dat moment rechtmatig is gebleven. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, met name omdat de laissez-passer aanvraag ruim drie maanden geleden is gedaan en er onvoldoende rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten plaatsvindt. De rechtbank oordeelt echter dat de minister op meerdere data in april en mei 2025 heeft gerappelleerd en dat er een vertrekgesprek is gevoerd waarin eiser aangaf geen contact met het consulaat te wensen.

De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die een andere beoordeling rechtvaardigen en concludeert dat de minister voldoende voortvarend handelt. Daarnaast zijn de overige aangevoerde gronden onvoldoende onderbouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20891

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

De minister heeft op 28 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 25 februari 2025. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 8 april 2025. [2]
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 13 mei 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 1 april 2025) rechtmatig is.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
2. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. De laissez-passer (lp) aanvraag is ruim drie maanden geleden gedaan en eiser heeft aangegeven dat hij niet over documenten beschikt en hier ook niet aan kan komen. Het ligt op de weg van de minister om op dossierniveau te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten. Het enkel voeren van vertrekgesprekken en doen van schriftelijke rappels is, gelet op de duur van de maatregel, onvoldoende.
2.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De reden hiervoor is dat de minister op 10 april 2025, 17 april 2025 en 1 mei 2025 gerappelleerd heeft bij de Algerijnse autoriteiten. Ook is er op 24 april een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Hierin heeft eiser aangegeven geen contact te willen opnemen met het Algerijnse consulaat, omdat hij daar geen behoefte aan heeft. Verder heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de minister bij de huidige stand zaken op dossierniveau had moeten rappelleren. Dat de maatregel ruim drie maanden voortduurt is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
2.2.
Voor zover eiser verder aanvoert dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen, er ten onrechte een lichter middel is opgelegd en er geen zich op uitzetting binnen afzienbare tijd bestaat, is de rechtbank van oordeel dat eiser dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag (zp. Arnhem) 25 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2907.
2.Rb Den Haag (zp. Arnhem) 8 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5901.
3.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
4.ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.