De minister legde op 2 april 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, die hiertegen beroep instelde en tevens schadevergoeding vorderde. De rechtbank had de rechtmatigheid van de maatregel eerder getoetst en beoordeelt nu uitsluitend het voortduren van de bewaring sinds 18 april 2025.
De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht is op uitzetting naar Algerije, mede op basis van recente cijfers over afgegeven laissez-passers en uitzettingen. De minister heeft meerdere malen bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en werkt voortvarend aan de uitzetting, waaronder het voeren van een vertrekgesprek met eiser.
Het beroep op een lichter middel vanwege de psychische gesteldheid van eiser wordt verworpen omdat eiser dit niet met medische stukken heeft onderbouwd en er geen verslechtering is vastgesteld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.