Eiser en eiseres hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. Eiser baseert zijn aanvraag op vermeende vervolging vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging en een belediging van president Erdogan via social media. Eiseres beroept zich op eerdere activiteiten voor de Gülen-beweging en deelname aan een demonstratie.
De rechtbank beoordeelt de geloofwaardigheid van de verklaringen en de motivering van de minister. De minister acht enkele elementen geloofwaardig, maar vindt onvoldoende zwaarwegendheid en geloofwaardigheid bij andere elementen, zoals de inval en arrestatie. Eisers betogen dat de minister onvoldoende alle relevante elementen heeft betrokken en onvoldoende zwaarwegendheid heeft toegekend aan hun betrokkenheid bij de Gülen-beweging en de gevolgen van het beledigen van Erdogan.
De rechtbank oordeelt dat de minister de stukken die laat werden ingediend terecht buiten beschouwing heeft gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank vindt dat de minister een zorgvuldige integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt en alle relevante elementen heeft vastgesteld. De minister heeft terecht geoordeeld dat eisers geen reëel risico lopen op ernstige schade. Wel oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gelijkheidsbeginsel niet van toepassing is, aangezien verwezen wordt naar de AVG om niet inhoudelijk op vergelijkbare zaken in te gaan.
Daarom wordt het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht aan de minister om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 2.721,- toegewezen.