De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 2 april 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde dat hij detentieongeschikt was vanwege ernstige psychische problematiek en dat de zorg in detentie onvoldoende was.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 30 april 2025, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Uit het medische dossier bleek dat eiser bekend was met psychische problemen, maar dat hij werd gevolgd door de medische dienst en medicatie ontving. Er was geen medische beoordeling dat eiser detentieongeschikt was en geen onderbouwing dat de zorg onvoldoende was.
De rechtbank oordeelde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig of onevenredig bezwarend was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.