Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden had beslist op haar asielaanvraag van 17 oktober 2023. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken en dat de minister ook na een verzoek van eiseres om binnen twee weken te beslissen, geen besluit heeft genomen.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Daarbij verwijst zij naar het ‘8+8 wekenmodel’ zoals gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar stelt dat in gevallen waarin deze termijn de bovengrens van 21 maanden overschrijdt, een kortere beslistermijn passend is. De minister krijgt daarom de opdracht om uiterlijk op 8 september 2025 een besluit te nemen.
Om naleving van deze termijn af te dwingen, legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister te laat is, met een maximum van € 7.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt zonder zitting. Hiermee krijgt eiseres haar gelijk en wordt de minister verplicht binnen de gestelde termijn te beslissen.