ECLI:NL:RBDHA:2025:9699

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
NL25.23162
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 2 VwArt. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 4.51 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen maatregel van bewaring en terugkeer Nigeria

Eiseres is op 20 mei 2025 opgehouden met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde dat haar ophouding onterecht was omdat haar identiteit duidelijk was en dat de terugkeerverplichting pas vanaf 27 september 2024 zou gelden. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft gehandeld, omdat er geen identificerend document aanwezig was en de terugkeerverplichting al op 16 juli 2021 is opgelegd.

De rechtbank acht de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het niet op de juiste wijze binnenkomen, het niet opvolgen van eerdere terugkeerbesluiten en het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats, voldoende onderbouwd. Ook is vastgesteld dat eiseres niet meewerkt aan haar uitzetting en dat een lichter middel niet effectief zou zijn.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend is in de uitzettingsprocedure, met een geplande presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten op 5 juni 2025, en dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23162

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Procesverloop

1.1.
De minister heeft op 20 mei 2025 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiseres is verschenen op het detentiecentrum in Zeist, de gemachtigde is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. Eiseres betoogt dat de ophouding plaats heeft gevonden op een onjuiste grondslag. Eiseres stelt dat haar nationaliteit en identiteit voldoende duidelijk waren en er geen onderzoek meer nodig was. Zo zijn de AVIM-medewerkers aangesloten bij het vertrekgesprek en was het voor iedereen duidelijk wie zij was. Verder betoogt eiseres dat op 27 september 2024 een aanvullend terugkeerbesluit is genomen waarin is opgenomen dat de terugkeerverplichting van eiseres geldt voor Nigeria. Eiseres stelt dat daarom pas vanaf 27 september 2024 de terugkeerverplichting geldt en dat alle daarvoor verrichtte handelingen – zoals met onbekende bestemming vertrekken – niet aan haar kunnen worden tegengeworpen.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres terecht heeft opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid van de Vw. Er was geen identificerend document voor handen en de vingerafdrukken van eiseres moesten nog worden afgenomen. Dat iedereen wist wie eiseres was maakt nog niet dat haar identiteit en nationaliteit zijn komen vast te staan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat uit het besluit van 16 juli 2021, waarin haar asielvraag is afgewezen en haar ook een terugkeerverplichting is opgelegd, voldoende kan worden afgeleid dat eiseres dient terug te keren naar Nigeria. Haar asielaanvraag ging enkel over gestelde gebeurtenissen in Nigeria en het besluit noemt meerdere keren Nigeria en geen andere landen. De rechtbank volgt eiseres daarom ook niet in haar stelling dat pas vanaf 27 september 2024 een terugkeerverplichting naar Nigeria geldt en dat de handelingen die zich hebben afgespeeld voor deze datum niet aan haar kunnen worden tegengeworpen.
Grondslag en gronden
4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Eiseres heeft geen rechtmatig verblijf. Eiseres heeft op 16 juli 2021 een meeromvattende (afwijzende) beschikking opgelegd gekregen, waarin ook een terugkeerbesluit besloten ligt.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden en lichte gronden 3a, 3c, 3i, 4a, 4b, 4c en 4d in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3c en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. [3] De rechtbank stelt vast dat het feitelijk juist is dat eiseres niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd (3a), dat eiseres binnen 48 uur asiel heeft aangevraagd na aankomst in Nederland doet aan de feitelijke juistheid niet af. Zoals ook overwogen onder 3.1. is de rechtbank van oordeel dat al op 16 juli 2021 een terugkeerbesluit is opgelegd waaruit voldoende duidelijk blijkt dat eiseres terug diende te keren naar Nigeria. Het is daarom ook feitelijk juist dat eiseres al eerder een terugkeerbesluit heeft ontvangen en niet heeft voldaan aan de verplichting tot terugkeer binnen de daarin gestelde termijn (3c). Het is ook feitelijk juist dat eiseres niet wil terugkeren naar Nigeria (3i), dat eiseres aangeeft vrees te hebben voor de Nigeriaanse autoriteiten en haar leven niet zeker is in Nigeria doet aan de feitelijke juistheid niet af. Verder heeft eiseres niet voldaan aan artikel 4.51 van het Vb (4a), is zij verschillende verblijfsprocedures gestart, die allemaal zijn afgewezen (4b), heeft zij geen vaste woon- of verblijfplaats (4c) en heeft zij onvoldoende middelen om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en haar terugkeer te kunnen bekostigen (4d). Dat eiseres stelt dat zij bij stichting Inlia kan verblijven en verblijf is onvoldoende voor een ander oordeel. Verblijf bij stichting Inlia is namelijk geen vaste woon- of verblijfplaats en het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hierin is zij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.
Lichter middel
5. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiseres dat zij niet wil terugkeren, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiseres niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op haar rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiseres te verzekeren.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in het gehoor voorafgaand aan de bewaring verscheidene medische en psychische klachten naar voren heeft gebracht en heeft aangegeven dat zij medicatie gebruikt. De minister heeft deze omstandigheden voldoende betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiseres erop gewezen dat er een medische dienst is in het detentiecentrum en dat zij daar gebruik van kan maken. Van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland kan worden gezegd dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
5.2.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiseres verder geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat de bewaring voor haar onevenredig bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres eerder een lichter middel is opgelegd en dat zij vanuit daar met onbekende bestemming is vertrokken. De stelling dat eerdere handelingen haar niet mogen worden tegengeworpen slaagt gelet op het onder 3.1. overwogene niet. Eiseres heeft daarnaast geen stukken overgelegd dat zij bij stichting Inlia kan verblijven.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. De rechtbank stelt vast dat de minister op 27 mei 2025 een eerste uitzettingshandeling heeft verricht, te weten het plannen van een presentatie met de Nigeriaanse autoriteiten. Deze presentatie staat gepland op 5 juni 2025. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
6.1.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria niet ontbreekt. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling [4] van 14 november 2022, waarin zij heeft geoordeeld dat er in zijn algemeenheid ten aanzien van Nigeria nog steeds van ‘zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn’ kan worden uitgegaan. [5] Ook in het specifieke geval van eiseres is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Er staat een presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten gepland op 5 juni 2025.
6.2.
Op eiseres rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee, dat eiseres actieve en volledige medewerking aan haar uitzetting moet verlenen. [6] De rechtbank stelt vast dat eiseres geen actie onderneemt en geen medewerking verleent aan haar uitzetting. Eiseres wil niet terug keren naar Nigeria en verricht geen inspanningen om de benodigde documenten met betrekking tot haar identiteit en nationaliteit te verkrijgen. Dat eiseres niet voldoende meewerkt, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan haar worden toegerekend. Het zicht op uitzetting is ook hiermee gegeven.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.