ECLI:NL:RBDHA:2025:9771
Rechtbank Den Haag
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening bestuursrechtelijke uitspraak vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek om herziening van haar uitspraak van 9 mei 2025 in een bestuursrechtelijke zaak op het gebied van vreemdelingenrecht. Verzoeker stelde dat de uitspraak berustte op een feitelijke dwaling, omdat Nederland al op 28 april 2025 op de hoogte was van zijn status in België, terwijl de uitspraak uitging van een onrechtmatigheid vanaf 30 april 2025.
De rechtbank beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel stelt dat herziening alleen mogelijk is indien sprake is van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, die niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de indiener, en die tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden indien zij wel bekend waren geweest.
De rechtbank concludeerde dat de aangevoerde feitelijke misslag geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid vormt. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2002. Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en kan het niet tot herziening leiden.
De rechtbank wees het verzoek om herziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.