ECLI:NL:RBDHA:2025:9801

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
4 juni 2025
Zaaknummer
NL24.42637
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag onder tijdelijke bescherming

Eiseres diende op 24 februari 2022 een herhaalde asielaanvraag in. De minister verleende haar tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG en stelde de inhoudelijke behandeling van haar asielverzoek uit tot na beëindiging van deze bescherming. Eiseres stelde de minister in gebreke en maakte bezwaar tegen het besluit om haar asielverzoek niet inhoudelijk te behandelen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de beslistermijn wordt opgeschort gedurende tijdelijke bescherming.

Eiseres stelde beroep in tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar. De rechtbank Den Haag oordeelde dat eiseres wel procesbelang heeft, mede omdat het Hof van Justitie een prejudiciële vraag over de opschorting van asielbehandeling tijdens tijdelijke bescherming heeft. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek omdat de minister niet op het vertrouwensbeginsel was ingegaan. Dit leidde tot vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank vond echter dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven, omdat onvoldoende bewijs was voor toezeggingen door de minister of haar gemachtigde. De brief van 7 december 2022 was te algemeen en de brief van 1 september 2022 over tijdelijke bescherming was in het dossier aanwezig. Eiseres kreeg een proceskostenvergoeding van €1.814 toegewezen. De uitspraak is openbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; eiseres krijgt proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42637

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiseres

mede namens haar kinderen,
[naam 2],V-nummer: [nummer 2],
[naam 3],V-nummer: [nummer 3],
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Loyenga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag en die van haar kinderen. De minister heeft het bezwaar van eiseres tegen de beslissing om aan haar tijdelijke bescherming te verlenen en haar asielverzoek nog niet inhoudelijk te beoordelen, niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij wil een inhoudelijke behandeling van haar asielverzoek en beroept zich onder andere op het vertrouwensbeginsel.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 24 februari 2022 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Met de brief van 20 juni 2024 heeft de minister aan eiseres laten weten dat zij in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming). In diezelfde brief heeft de minister vermeld dat een inhoudelijke behandeling van eiseres haar asielverzoek wordt uitgesteld en dat die beoordeling plaatsvindt nadat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
3. Eiseres heeft de minister op 28 november 2023 in gebreke gesteld. Op 15 december 2023 is door eiseres (en haar kinderen) een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Op 18 juli 2024 heeft eiseres daarnaast bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 juni 2024. Het beroep van eiseres (en haar kinderen) is op 28 augustus 2024 door de rechtbank Amsterdam ongegrond verklaard. [1] De rechtbank oordeelde in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024 [2] dat de beslistermijn van de asielaanvraag van de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, wordt opgeschort voor de duur van de tijdelijke bescherming. De rechtbank concludeerde daarom dat de ingebrekestellingen van 28 november 2023 prematuur waren ingediend. De minister heeft vervolgens op 3 oktober 2024 het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit).
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep. Aangezien de aan eiseres verleende tijdelijke bescherming niet dezelfde rechten met zich brengt als een asielvergunning en bovendien bij het Hof van Justitie de vraag voorligt of de behandeling van een asielverzoek mag worden opgeschort gedurende de tijdelijke bescherming, komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep. De rechtbank gaat hieronder inhoudelijk in op de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
Ingebrekestellingen
5. De rechtbank Amsterdam heeft op 28 augustus 2024 [3] reeds geoordeeld dat de ingebrekestelling van 28 november 2023 prematuur is ingediend. Eiseres heeft hierover in de onderhavige zaak niks nieuws aangevoerd, zodat deze grond niet tot een ander oordeel leidt.
Vertrouwensbeginsel
6. Eiseres voert verder aan dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel ervan mocht uitgaan dat haar asielaanvraag (en die van haar kinderen) inhoudelijk zou worden behandeld. Eiseres wijst erop dat haar gemachtigde telefonisch contact heeft gehad met de IND [4] en dat zij is uitgenodigd voor een asielgehoor. Hierdoor meent eiseres dat zij redelijkerwijs mocht verwachten dat de minister inhoudelijk een beslissing zou gaan nemen op haar asielaanvraag. Deze verwachting wordt verder versterkt door de brief van de minister van 7 december 2022, waarin is medegedeeld aan eiseres dat de beslistermijn van haar asielaanvraag zou worden verlengd. Eiseres stelt dat zij de brief van 1 september 2022 – waarin staat dat zij tijdelijke bescherming heeft – nooit heeft ontvangen. Eiseres wijst erop dat de minister in het besluit in het geheel niet is ingegaan op haar betoog over het vertrouwensbeginsel.
7. De minister erkent dat in het bestreden besluit niet op het vertrouwensbeginsel is ingegaan en dat daardoor sprake is van een motiveringsgebrek. De minister stelt zich op het standpunt dat geen vertrouwen is gewekt dat de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk in behandeling zou worden genomen. Volgens de minister is er in het dossier geen gespreksnotitie zichtbaar van het gestelde telefoontje tussen de gemachtigde en de IND, zodat niet is gebleken dat er contact is geweest met de gemachtigde van eiseres. Daarnaast blijkt niet dat er een afspraak is ingepland of afgezegd. Volgens de minister is de brief van 7 december 2022 daarnaast een algemene brief in de asielprocedure en kan daaruit geen toezegging aan eiseres worden afgeleid. Uit de brief van 1 september 2022 blijkt tot slot dat eiseres onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt en die brief bevindt zich in het dossier.
8. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit niet is ingegaan op hetgeen door eiseres is aangevoerd over het vertrouwensbeginsel. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is reeds daarom al gegrond en het bestreden besluit wordt wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven, gelet op de aanvullende motivering in het verweerschrift en op zitting.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. De gemachtigde van eiseres heeft op zitting gesteld dat tijdens het telefoongesprek met de IND naar haar beschikbaarheid werd gevraagd. De minister heeft toegelicht dat er geen enkele notitie is van dit gesprek, terwijl van alle klantcontacten notities worden gemaakt. De gemachtigde van eiseres heeft ook geen notitie van dit gesprek gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat sprake is van een uitlating van de minister richting eiseres. Het enkele gegeven dat de gemachtigde van eiseres naar aanleiding van het gesprek met de IND een aanvullende afspraak zou hebben ingepland met eiseres, leidt niet tot een ander oordeel. Ook uit deze afspraakbevestiging blijkt immers niet van een uitlating van de minister richting eiseres. Daarnaast volgt de rechtbank de minister in haar standpunt dat de brief van 7 december 2022 te algemeen van aard is om toezeggingen jegens eiseres uit af te leiden. Eiseres heeft bovendien meerdere brieven ontvangen waaruit blijkt dat zij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt en dat haar asielaanvraag niet inhoudelijk zal worden behandeld. De brief van 1 september 2022 bevindt zich eveneens in het digitale dossier, waartoe de gemachtigde van eiseres toegang heeft. Eiseres haar beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

10. Onder rechtsoverweging 8 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het beroep gegrond is wegens een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. De minister heeft het motiveringsgebrek met de aanvullende motivering in het verweerschrift en op de zitting hersteld. De rechtbank bepaalt daarom dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 3 oktober 2024;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 oktober 2024 geheel in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummers: NL23.39283, NL23.39284 en NL23.39286.
3.Zaaknummers: NL23.39283, NL23.39284 en NL23.39286.
4.Immigratie- en Naturalisatiedienst.