Eiseres diende op 24 februari 2022 een herhaalde asielaanvraag in. De minister verleende haar tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG en stelde de inhoudelijke behandeling van haar asielverzoek uit tot na beëindiging van deze bescherming. Eiseres stelde de minister in gebreke en maakte bezwaar tegen het besluit om haar asielverzoek niet inhoudelijk te behandelen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de beslistermijn wordt opgeschort gedurende tijdelijke bescherming.
Eiseres stelde beroep in tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar. De rechtbank Den Haag oordeelde dat eiseres wel procesbelang heeft, mede omdat het Hof van Justitie een prejudiciële vraag over de opschorting van asielbehandeling tijdens tijdelijke bescherming heeft. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek omdat de minister niet op het vertrouwensbeginsel was ingegaan. Dit leidde tot vernietiging van het bestreden besluit.
De rechtbank vond echter dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven, omdat onvoldoende bewijs was voor toezeggingen door de minister of haar gemachtigde. De brief van 7 december 2022 was te algemeen en de brief van 1 september 2022 over tijdelijke bescherming was in het dossier aanwezig. Eiseres kreeg een proceskostenvergoeding van €1.814 toegewezen. De uitspraak is openbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.