ECLI:NL:RBDHA:2025:9836

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
5 juni 2025
Zaaknummer
NL25.12113
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30c Vw 2000Art. 69 Vw 2000Art. 6:11 AwbArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te laat ingediend beroep tegen buiten behandeling stelling asielaanvraag

Eiser, die de Jemenitische nationaliteit stelt te hebben, diende op 26 februari 2024 een asielaanvraag in. De minister stelde deze aanvraag buiten behandeling op 6 maart 2025 omdat eiser was verdwenen en niet bereikbaar was. Eiser stelde op 14 maart 2025 beroep in tegen dit besluit, één dag na het verstrijken van de wettelijke termijn van één week.

De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en concludeerde dat het beroepschrift te laat was ingediend. Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was vanwege bijzondere omstandigheden, zoals het ontbreken van contact met zijn gemachtigde en het COA, zijn onvrijwillig vertrek uit opvangvoorzieningen en zijn mentale gesteldheid. Deze omstandigheden werden echter onvoldoende onderbouwd.

Daarnaast voerde eiser de Bahaddar-exceptie aan, die inhoudt dat een beroep niet-ontvankelijk verklaard mag worden als de vreemdeling een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bijzondere feiten of omstandigheden waren aangevoerd die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat uitzetting een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Y. Yeniay - Cenik op 2 juni 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot buiten behandeling stelling van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldigbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12113

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2025 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh)
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. De reden hiervoor is dat eiser zijn beroepschrift buiten de daartoe gestelde termijn heeft ingediend. De te late indiening van het beroepschrift is niet verontschuldigbaar en van feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Bahaddar tegen Nederland [1] , gelet waarop van niet-ontvankelijk verklaring zou moeten worden afgezien, is niet gebleken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 tot 3.1 staat een weergave van de totstandkoming van het bestreden besluit. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld. [2]
2.1.
Eiser heeft op 14 maart 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.12114, op 18 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. Eiser, die de Jemenitische nationaliteit stelt te hebben, heeft op 26 februari 2024 een asielaanvraag ingediend.
3.1.
Op 19 februari 2025 maakt de minister het voornemen bekend om de asielaanvraag van eiser buiten behandeling te stellen. Aan dit voornemen legt de minister ten grondslag dat eiser is verdwenen en hij dus de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht. Daartoe verwijst de minister naar informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) waaruit volgt dat eiser op 8 november 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Uit navraag bij zijn gemachtigde blijkt bovendien dat zij geen contact meer heeft met eiser. Van een geldige reden voor het zonder toestemming vertrekken is volgens de minister niet gebleken. De minister stelt eiser in het voornemen in de gelegenheid om binnen twee weken contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten, met de boodschap dat als eiser dat niet doet, zijn aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.
3.2.
Omdat niet met een zienswijze op het voornemen is gereageerd, stelt de minister de asielaanvraag van eiser onder verwijzing naar het voornemen met het bestreden besluit buiten behandeling.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
4. De rechtbank moet, voordat zij kan overgaan tot een inhoudelijke behandeling van het beroep, ambtshalve beoordelen of eiser tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit.
Is het beroepschrift te laat ingediend?
4.1.
Op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift één week, als de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c van de Vw 2000.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 14 maart 2025 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit van 6 maart 2025. Dat betekent dat, gelet op de beroepstermijn van één week, eiser net buiten de termijn beroep heeft ingesteld. Eiser erkent ook dat hij het beroepschrift buiten de daartoe geldende termijn heeft ingediend.
Is het te laat indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar?
4.3.
Als een beroepschrift te laat wordt ingediend, verklaart de rechtbank het beroep in beginsel niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het te laat indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dat betekent dat de indiener een goede reden heeft waarom het beroepschrift te laat is ingediend. Met andere woorden, als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van de te late indiening van het beroepschrift achterwege. [3]
4.3.1.
In dit verband is een belangenafweging niet mogelijk, maar zijn wel twee aspecten van belang. [4] In de eerste plaats moet worden beoordeeld of het te laat indienen van het beroepschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Voor het oordeel dat een termijnoverschrijding niet kan worden toegerekend aan de indiener kan bijvoorbeeld grond bestaan als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen. Als de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, zal in de tweede plaats moeten worden beoordeeld of het beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Is dat het geval, dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar.
4.4.
Eiser betoogt dat de rechtbank zijn beroep ontvankelijk moet verklaren. Eiser wijst op de verruiming van het verschoonbaarheidscriterium [5] , gelet waarop een verschoonbare termijnoverschrijding niet alleen moet worden aangenomen als de indiener geen enkel verwijt treft, maar ook als hem vanwege bijzondere omstandigheden slechts een gering verwijt treft. Eiser treft geen dan wel een gering verwijt. Er is sprake van een termijnoverschrijding van slechts één dag. Daarbij was er in de weken voorafgaand aan
13 maart 2025, de datum waarop eiser weer contact heeft opgenomen met zijn gemachtigde, (tijdelijk) geen contact mogelijk tussen eiser en de minister en/of het COa en/of zijn gemachtigde, is eiser onvrijwillig uit de opvangvoorzieningen van het COa vertrokken en het gaat mentaal slecht met hem, aldus het betoog van eiser.
4.5.
Eisers betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een goede, verschoonbare reden voor de te late indiening door eiser van zijn beroepschrift
.Ondanks dat sprake is van een zeer geringe termijnoverschrijding, is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die eiser betreffen gelet waarop tot het oordeel moet worden gekomen dat deze overschrijding niet aan eiser kan worden toegerekend. Eiser licht de omstandigheden waarin hij verkeerde, die er volgens hem toe hebben geleid dat hij (verontschuldigbaar) na de beroepstermijn beroep heeft ingediend, in beroep niet nader toe en onderbouwt deze niet. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser in beginsel niet-ontvankelijk moet verklaren.
Moet van niet-ontvankelijkverklaring van het beroep worden afgezien?
5. Eiser doet verder een beroep op de zogenoemde Bahaddar-exceptie, die voortvloeit uit het gelijknamige arrest van het EHRM, en betoogt dat gelet daarop van niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep moet worden afgezien. Eiser loopt in Jemen namelijk een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM, waarover eiser nog nader wil verklaren tijdens een gehoor. Uit het rapport Aanmeldgehoor kan worden opgemaakt dat eisers vader is benaderd door de Houthi’s voor eiser om zich bij hen aan te sluiten.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [6] volgt dat de bestuursrechter een in het nationale recht neergelegde procedureregel, zoals een niet-ontvankelijkverklaring, buiten toepassing moet laten wanneer er bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland, om schending van artikel 3 van Pro het EVRM te voorkomen. Zulke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor wanneer dat wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de (gedwongen) terugkeer van die vreemdeling een schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank moet beoordelen of zich zulke feiten of omstandigheden voordoen, in het licht van wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, het standpunt van de minister daarover en wat algemeen bekend is over het land van herkomst. De achterliggende gedachte van deze beoordeling is dat een schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer altijd moet worden voorkomen. Voor het aannemen van een Bahaddar-omstandigheid geldt een hoge drempel.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op wat eiser hierover aanvoert, de inhoud van het dossier (vanwege het vertrek van eiser met onbekende bestemming heeft juist geen nader gehoor kunnen plaatsvinden) en het verhandelde op de zitting, niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat uitzetting van eiser een schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.EHRM 19 februari 1998, Bahaddar tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
2.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
3.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5.Eiser wijst daartoe op CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 en Informatiebericht 2024/14 Verruiming van de verschoonbaarheid van de overschrijding van bezwaar- en beroepstermijnen.
6.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, onder 6 en 11.