ECLI:NL:RBDHA:2025:9846

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
5 juni 2025
Zaaknummer
NL25.17142
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 3 juni 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister had op grond van de Dublinverordening vastgesteld dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag en had daarom de aanvraag niet in behandeling genomen.

Eiser stelde dat het besluit gebrekkig gemotiveerd was vanwege het gebruik van standaardteksten en dat de minister ten onrechte was uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verwijzend naar het AIDA-rapport 2023 over de situatie in Spanje. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van standaardteksten in het voornemen geen onzorgvuldigheid oplevert en dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. Ook is het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht toegepast, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van aan systeem gerelateerde tekortkomingen in Spanje.

Verder stelde eiser dat de minister de aanvraag onverplicht had moeten behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, maar hij heeft geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd die een onevenredige hardheid zouden opleveren. De rechtbank verklaarde het beroep daarom ongegrond en liet het besluit in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Y. Yeniay - Cenik.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17142

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.L.J. Henket-Reijnen),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 april 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Is sprake van een gebrekkige motivering vanwege het gebruik van standaardteksten in het voornemen?
5. Eiser voert aan dat door het gebruik van standaardteksten in het voornemen van 26 maart 2025 sprake is van een gebrekkige motivering, waarbij geen rekening is gehouden met hetgeen door eiser is aangevoerd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht gesteld dat het voornemen een voorbereidingshandeling is die een mededeling van feitelijke aard inhoudt. Een voornemen is daarmee geen op rechtsgevolg gericht besluit. Verder verwijst de minister terecht naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2023, waarin is geoordeeld dat het gebruik van een standaardvoornemen, zoals in deze zaak is gebruikt, nog niet betekent dat de besluitvorming onzorgvuldig is. [3] Voor zover wordt betoogd dat de minister in het bestreden besluit op bepaalde onderdelen verwijst naar het – volgens eiser – gebrekkig gemotiveerde voornemen en het besluit daarmee eveneens gebrekkig gemotiveerd is, is de rechtbank van oordeel dat de minister in het voornemen voldoende kenbaar heeft gemaakt waarom Spanje op basis van de Dublinverordening verantwoordelijk wordt gehouden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Ook de redenen waarom de minister geen gebruikmaakt van de bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht naar zich toe te trekken zijn voldoende duidelijk weergegeven in het voornemen. Bovendien is de minister in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op hetgeen eiser in het gehoor van 17 maart 2025 en de zienswijze naar voren heeft gebracht. Het bestreden besluit is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd.
Mag de minister voor Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat de minister voor Spanje ten onrechte uit is gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat de minister onvoldoende heeft meegewogen dat er in Spanje slechte mogelijkheden zijn van toegang tot de procedure voor asielzoekers die op grond van de Dublinverordening worden overgedragen., Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport over Spanje van 2023 (AIDA-rapport van 2023).
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister mag namelijk in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. [4] Dit uitgangspunt heeft de Afdeling voor Spanje recent nog bevestigd in de uitspraak van 6 mei 2025. [5] Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van aan systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen die voor de overdracht relevant zijn, zodat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag worden gegaan. [6] De verwijzing naar het AIDA-rapport van 2023 is hiervoor echter onvoldoende. Dit rapport heeft de Afdeling namelijk al beoordeeld in de uitspraak van 24 juni 2024. [7] Uit die uitspraak volgt dat het AIDA-rapport van 2023 waar eiser in die zaak naar verwijst geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de uitspraak van 8 juli 2021 en bij de uitspraak van 27 juli 2023 is betrokken, waarin is geoordeeld dat er in Spanje geen sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest te vallen. [8] Nu eiser enkel op het AIDA-rapport van 2023 wijst en geen nadere onderbouwing heeft gegeven, is hij er dus niet in geslaagd het vermoeden te weerleggen dat voor Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag worden gegaan.
Moet de minister de asielaanvraag van eiser onverplicht in behandeling nemen?
7. Eiser voert verder aan dat onvoldoende is gebleken waarom de minister geen toepassing geeft aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Volgens eiser verwijst de minister in het bestreden besluit naar het voornemen van 26 maart 2025 voor de dragende overwegingen, maar in het voornemen wordt niet ingegaan op wat eiser heeft aangevoerd.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Nu ten aanzien van Spanje uit mag worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening alleen onverplicht naar zich toetrekken als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling van een onevenredige hardheid getuigt. [9] Eiser heeft in de zienswijze noch in beroep onderbouwd van welke bijzondere, individuele omstandigheden in zijn geval sprake is. De minister heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van dergelijke omstandigheden in het geval van eiser geen sprake is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.ABRvS 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348.
4.ABRvS 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548.
5.ABRvS 6 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2008.
6.ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.1. en 4.2.
7.ABRvS 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548.
8.ABRvS 8 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1481, ABRvS 27 juli 2023 ECLI:NL:RVS:2023:2880.
9.Dat staat in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.