ECLI:NL:RBDHA:2025:9913

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
5 juni 2025
Zaaknummer
NL25.7073
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 3.106a VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens status in Duitsland

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet-ontvankelijk is verklaard op grond van het feit dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland sinds 1 juni 2016, hetgeen is bevestigd door Duitse autoriteiten in november 2024.

De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een sterke band met Nederland heeft, mede omdat de gestelde banden zijn opgebouwd tijdens een illegaal verblijf. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er risico op indirect refoulement bestaat bij terugkeer naar Duitsland.

Verder is geoordeeld dat verweerder voortvarend heeft gehandeld in het onderzoek en de besluitvorming, ondanks het feit dat eiser pas in februari 2025 is gehoord.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7073
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.
2. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling [2] mag verweerder in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. [3] Daarbij is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Verder moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Uit Eurodac blijkt dat eiser sinds 1 juni 2016 internationale bescherming geniet in Duitsland. Daarnaast blijkt uit de brief van 6 november 2024 dat door de Duitse autoriteiten is bevestigd dat deze bescherming nog steeds geldig is. Verweerder gaat er dan ook terecht van uit dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [4] volgt dat alleen al om die reden voldaan is aan de voorwaarde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb [5] dat sprake is van een zodanige band met Duitsland dat het voor eiser redelijk zou zijn om terug naar Duitsland te gaan.
3. Verweerder kan van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Uit artikel 3.106a, derde lid, van het Vb, volgt dat bij de beoordeling van een band als bedoeld in het tweede lid alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Verweerder heeft uit de door eiser aangevoerde omstandigheden geen band met Nederland hoeven afleiden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Banden met Nederland en onderzoeksplicht verweerder
4. Eiser stelt dat hij is geworteld in Nederland, nu hij hier al meer dan acht jaar verblijft, werkt en een netwerk van familie en vrienden heeft. Hij heeft veel sterkere banden met Nederland dan met Duitsland. Dat er vrij verkeer is tussen Duitsland en Nederland is niet relevant.
5. Daargelaten dat eiser deze banden met Nederland niet heeft onderbouwd, heeft eiser de gestelde banden opgebouwd tijdens zijn illegaal verblijf in Nederland. Dat hij tijdens deze jaren van onrechtmatig verblijf heeft gewerkt en zijn netwerk heeft opgebouwd, maakt niet dat hij daardoor een sterke band met Nederland heeft. Daarnaast stelt verweerder terecht dat eiser, gelet op het vrije verkeer, op en neer kan reizen tussen Duitsland en Nederland om zijn familie te kunnen blijven zien.
6. Eiser stelt verder dat er al acht jaar geen gebruik is gemaakt van zijn Duitse status. Verweerder had moeten uitzoeken op grond waarvan eiser verblijfsrecht heeft in Duitsland.
7. Zoals blijkt uit het schrijven van 6 november 2024 heeft eiser nog steeds een beschermde status in Duitsland. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk gebleken.
Risico op terugsturen naar Eritrea
8. Voor zover eiser heeft gesteld dat mogelijk sprake zal zijn van risico op indirect refoulement, is de rechtbank van oordeel dat hij geenszins heeft onderbouwd dat de Duitse autoriteiten de aan eiser verleende bescherming zullen intrekken en hij een mogelijk risico op indirect refoulement loopt. Daarvoor biedt het schrijven van 6 november 2024 geen enkel aanknopingspunt. Ook op dit punt is er dus geen aanleiding voor verweerder om zelf nog (aanvullend) onderzoek te doen bij de Duitse autoriteiten. Verweerder mag in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Gelet hierop mag verweerder ervan uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen jegens statushouders. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is, en dat heeft hij niet gedaan.
Voortvarend handelen
9. Eiser stelt tot slot dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld. Acht maanden geleden heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend en werd bekend dat hij een status zou hebben in Duitsland, echter is eiser hierover pas op 6 februari 2025 gehoord.
10. Eiser heeft op 26 juni 2024 een asielaanvraag ingediend. Op basis van het Eurodac-resultaat van diezelfde dag is er eerst onderzoek verricht naar de verblijfstatus van eiser in Italië. Op 6 november 2024 is het resultaat van het Eurodac onderzoek Duitsland bekend geworden, waarover eiser op 6 februari 2025 is gehoord en waarna op 11 februari 2025 een voornemen is uitgebracht en op 13 februari 2025 het bestreden besluit is genomen. Gelet op dit procesverloop is de rechtbank van oordeel dat er door verweerder niet onredelijk laat is gehandeld. Het is ook eiser zelf geweest die zich jarenlang aan het toezicht heeft onttrokken.
11. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en het proces-verbaal daarvan is
openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zoals de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441.
5.Vreemdelingenbesluit 2000.