ECLI:NL:RBDHA:2025:9985
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht naar Denemarken wegens verlopen bezwaartermijn
Verzoeker maakte bezwaar tegen zijn geplande feitelijke overdracht naar Denemarken en verzocht om een voorlopige voorziening om deze overdracht te verbieden. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker op de hoogte was van de verlenging van de overdrachtstermijn en dat de termijn om hiertegen bezwaar te maken ruimschoots was verstreken.
De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit vastgesteld, waartegen geen hoger beroep was ingesteld. Verzoeker kon daarom niet alsnog via bezwaar tegen de feitelijke overdracht de verlenging van de overdrachtstermijn aanvechten.
De voorzieningenrechter toetste of de overdracht verboden moest worden op grond van artikel 4 van Pro het Handvest, maar vond geen aanleiding dit te doen. Ook was er geen strijd met artikel 3 EVRM Pro. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, waardoor de overdracht op 10 juni 2025 kon plaatsvinden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht naar Denemarken wordt afgewezen.